Faillissement vof heeft niet noodzakelijkerwijs faillissement van vennoten tot gevolg

woensdag, 18 februari 2015

Op grond van de wet (artikel 18 Wetboek van Koophandel) zijn vennoten – naast het afgescheiden vennootschapsvermogen – hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap onder firma (vof). Reeds lange tijd geleden heeft de Hoge Raad voor het eerst geoordeeld dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten tot gevolg heeft dat het faillissement van de vof tevens het faillissement van elk van de vennoten inhoudt. Deze rechtsregel heeft de Hoge Raad in december 2009 voor het laatst bevestigd. De Hoge Raad lijkt hier nu op terug te komen (Hoge Raad 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251).

De Hoge Raad vernietigt in voornoemd arrest een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch en komt terug van zijn vaste rechtspraak: indien een vof failliet wordt verklaard, zal dit gelet op artikel 18 van het Wetboek van Koophandel, doorgaans ook het faillissement van de vennoten betekenen, maar dat behoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn.

De Hoge Raad onderbouwt dit als volgt. Een vennoot kan – hoewel de vof haar schuldeisers niet meer voldoet – terdege over voldoende privévermogen bezitten om zowel de schuldeisers van de vof, als zijn privéschuldeisers te voldoen. Aldus is niet voldaan aan het vereiste dat de vennoot is “opgehouden te betalen”, hetgeen dus (voortaan) separaat dient te worden aangetoond. Daarnaast kan de vennoot een persoonlijk aan hem of haar toekomend verweermiddel aanvoeren tegen de vordering van de schuldeisers van de vof (zoals bijvoorbeeld het hebben van een tegenvordering waarmee kan worden verrekend). Verder dateert de oude rechtsregel van de Hoge Raad van vóór de invoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (wsnp). Het faillissement van de vof moet ook ruimte laten voor het van toepassing verklaren van de wsnp op de vennoten (lees: de vennoten/natuurlijke personen moeten een verzoek tot toelating in de schuldsaneringsregeling kunnen indienen). Tot slot staat de tot recent gebezigde praktijk - aldus de Hoge Raad - op gespannen voet met internationale rechtspraak en regelgeving (6 EVRM).

Het gevolg van voorgaande is dat bij het willen bewerkstelligen van het faillissement van de vof en de vennoten, de aanvrager van het faillissement in zijn verzoekschrift het faillissement van ieder van hen afzonderlijk expliciet dient te verzoeken en dat de rechter dus niet zal (kunnen) volstaan met de toets of de vof voldoet aan alle vereisten om failliet te kunnen worden verklaard. De rechter zal die toets ook moeten toepassen op de individuele vennoten, waarbij de vennoten/natuurlijke personen de mogelijkheid hebben een verzoek te doen om te worden toe te laten tot de schuldsaneringsregeling als bedoeld in de wsnp.