Europese rechter doet gebiedsontwikkeling Doornakkers af op formeel punt

maandag, 15 juli 2013

Op 11 juli 2013 heeft het Europese Hof van Justitie (“HvJEU”) arrest gewezen in de spraakmakende en langlopende gebiedsontwikkelingszaak Doornakkers. Helaas voor de Nederlandse rechtspraktijk van gebieds- en projectontwikkeling doet het HvJEU de zaak af op een formeel punt en komt zij niet toe aan de inhoud van de zaak. 

Feiten en achtergronden

In augustus 2001 besloot de gemeente Eindhoven (“Gemeente”) het gebied tussen de wijk Doornakkers en de nieuwbouwwijk Tongelresche Akkers te herontwikkelen. De herontwikkeling omvat de realisatie van woningen, openbare infrastructuur, een zorgcentrum, handelsruimten en appartementen en een vrijetijdsaccommodatie met onder meer sportfaciliteiten.

In 2002 heeft de Gemeente een selectieprocedure georganiseerd waarvoor zij twee projectontwikkelaars heeft uitgenodigd. Op basis van de selectieprocedure heeft de Gemeente uiteindelijk op 15 juli 2003 Hurks aangewezen als beoogde contractspartner voor een verkoopovereenkomst voor de betrokken percelen. Tussen juli 2003 en oktober 2005 heeft Hurks de bouwplannen voor de betreffende percelen uitgewerkt. Weer bijna twee jaar later, in juli 2007, hebben Hurks en de Gemeente een samenwerkingsovereenkomst gesloten ter realisering van het plan.

Na kennis te hebben genomen van de ontwikkeling stelde de Europese Commissie (“Commissie”) zich op het standpunt dat de Gemeente de samenwerkingsovereenkomst met Hurks niet zonder voorafgaande aanbesteding had mogen gunnen. Meer in het bijzonder stelde de Commissie zich op het standpunt dat sprake is van een Europees aanbestedingsplichtige concessieovereenkomst voor openbare werken. De in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde van het verkrijgen van de benodigde vergunningen voor de realisatie van het project, kwalificeert de Commissie als de verlening van een exploitatierecht door de Gemeente aan Hurks. In 2008 is de Commissie een inbreukprocedure gestart tegen de EU lidstaat Nederland.

Arrest HvJEU

De formele rechtsvraag in deze kwestie betreft de vraag of de Commissie zich in de inbreukprocedure terecht op het standpunt heeft gesteld dat de casus onder de werkingssfeer van de huidige Richtlijn 2004/18/EG valt. Nederland heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat het besluit van de Gemeente om een selectieprocedure te starten bepalend is voor de vraag welke aanbestedingsrichtlijn van toepassing is. Dit besluit dateert van 23 april 2002 en ligt daarmee ruim voor de implementatie datum van Richtlijn 2004/18/EG (31 januari 2006), zodat niet deze richtlijn maar de oude Richtlijn Werken (Richtlijn 93/37) toepassing vindt.

Aangezien de Commissie de inbreukprocedure enkel heeft gestoeld op een overtreding van Richtlijn 2004/18/EG en niet (ook) op overtreding van de voorgaande Richtlijn Werken, concludeerde Advocaat-Generaal Wathelet op 11 april 2013 al dat het beroep van de Commissie op die grond dient te stranden.

Het HvJEU volgt de A-G en verwerpt het beroep van de Commissie op deze formele grond. Aan de inhoudelijke kant van de zaak komt het HvJEU niet toe. Dit is jammer want een aantal voor de Nederlandse praktijk van gebiedsontwikkeling zeer relevante rechtsvragen blijven daardoor onbeantwoord.