Europees recht neutraliseert Wav-boete

woensdag, 29 juli 2015

De Inspectie SZW mag geen boete opleggen op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (“Wav”), indien zij constateert dat Roemenen in Nederland werkzaam  zijn zonder tewerkstellingsvergunning. Dat is het opmerkelijke oordeel van de meervoudige bestuurskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Medio 2013 rapporteerde de Inspectie SZW dat twee Roemenen schilderwerkzaamheden hadden verricht bij een Nederlandse opdrachtgever. De werkzaamheden aan het huis van de opdrachtgever waren verricht via een aannemer. De schilders hadden geen tewerkstellingsvergunning. Volgens de Inspectie was dat op grond van de Wav wel verplicht. De opdrachtgever kreeg een bestuurlijke boete van EUR 9.000 (artikel 2(1) Wav).

De opdrachtgever maakte bij de Inspectie bezwaar tegen dit boetebesluit, maar tevergeefs. Vervolgens ging hij in beroep bij de rechtbank. Hij voerde onder meer aan, dat er überhaupt geen verplichting bestond voor de Roemenen om een tewerkstellingsvergunning te hebben. Artikel 2(1) Wav zou in strijd zijn met Europees en internationaal recht.

De rechtbank gaf de opdrachtgever gelijk.

Het bestuursrechtelijke vonnis

Kort samengevat constateert de rechtbank dat Nederland een meer dan 100 jaar oud Verdrag heeft met Japan. Op basis hiervan hebben Japanners vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Zij hebben geen tewerkstellingsvergunning nodig (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4701).

Bij toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de EU in 2007 werd afgesproken dat onderdanen van die lidstaten binnen de interne markt voorrang krijgen op derdelanders (bijvoorbeeld Japanners). Deze begunstigingsclausule is een (tijdelijk) uitvloeisel van de vrij verkeersbepalingen, die in het Europese recht centraal staan (artikel 45 VWEU).

Als Japanners geen tewerkstellingsvergunning nodig hebben, redeneert de rechtbank, geldt dat op basis van deze begunstigingsclausule a fortiori voor Roemenen. Zij mogen immers niet onderworpen worden aan strengere voorwaarden dan derdelanders (in dit geval: Japanners).

De rechtbank vernietigt het boetebesluit. De opdrachtgever krijgt zijn EUR 9.000 terug. Hij krijgt daarnaast zijn griffierechten, proceskosten en schade vergoed (de wettelijke rente over het betaalde boetebedrag).

Relevantie voor de praktijk

Boetes die opgelegd worden onder de Wav zijn fors. De boeteoplegging wordt als weinig flexibel ervaren. In het onderhavige vonnis biedt een voor de opdrachtgever gunstige uitkomst. De redenering  is gebaseerd op Europees en internationaal recht. Dit toont eens temeer aan dat sommige juridische problemen via de band van de EU vrij verkeersbepalingen kunnen worden opgelost.

De relevantie van deze uitspraak strekt zich naar onze mening uit voorbij het concrete geval:

  • In de context van toetreding tot de EU gingen Roemenië en Bulgarije gezamenlijk op, zodat vermoedelijk ook Bulgaren werkzaam in Nederland zich op deze uitspraak kunnen beroepen.
  • Dat geldt ook voor (toekomstige) toetreders die profijt hebben van eenzelfde begunstigingsclausule.

Op basis van een Bulgaars arrest van het Hof van Justitie van de EU over eenzelfde begunstigingsclausule als die voor Roemenië is afgesproken, lijkt een meer algemene rechtsregel te zijn aanvaard: de begunstigingsclausule verplicht elk EU lidstaat ertoe om, wat toegang tot de arbeidsmarkt in andere EU lidstaten betreft, “los van de maatregelen die tijdens de overgangsperiode worden genomen”, EU burgers niet alleen gelijk te behandelen als burgers van derdelanden, maar hen zelfs voorrang te verlenen, in de zin van betere voorwaarden (HvJEU 21 juni 2012, arrest in zaak C-15/11, ECLI:EU:C:2012:371 (Sommer), r.o. 33 t/m 35).

Voor bedrijven in een land als Nederland, dat veel (bilaterale) verdragen heeft, opent dit mogelijkheden. Als een verdrag tussen Nederland en een land buiten de EU een bepaling bevat die derdelanders meer ruimte biedt voor toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt dan EU burgers, dan kunnen laatstgenoemden zich mogelijk met succes beroepen op het Sommer-arrest van het Hof van Justitie van de EU en het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De overheid ziet met dit vonnis een belangrijke bron van inkomsten in gevaar komen. Zij kan nog hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.