Europees Hof: Minister moet woningcorporaties toestaan over de grens te bouwen

dinsdag, 6 oktober 2009

Op 1 oktober jl. heeft het Europese Hof uitspraak gedaan in het geding tussen het Ministerie van VROM en woningstichting Sint Servatius (zaak C-567/07). Het ging om een aantal fundamentele Europeesrechtelijke vragen op het gebied van de verrichting van (commerciële) woningbouwactiviteiten door woningcorporaties. De uitspraak van het Hof is van groot belang voor woningcorporaties in Europa.

De prejudiciële vragen hadden onder andere betrekking op het vrije verkeer van kapitaal, op de (financiering van) diensten van algemeen economisch belang en de daaraan gerelateerde staatssteunvraagstukken. De vragen zijn bij het Europees Hof van Justitie ingediend omdat zij uitspraak dient te doen in hoger beroep, aangespannen door het Ministerie van VROM, over een bezwaar van Servatius tegen de afwijzende beslissing van het ministerie om de corporatie een zogenaamde experimenteerstatus (artikel 120a Woningwet) te verlenen. 

Achtergrond
Woningstichting Servatius is in 2000 een woningbouwproject gestart in Luik (België), bestaande uit woningen en bedrijfsruimten. Bij besluit van 5 december 2002 heeft de minister de toestemming voor het project geweigerd op grond van de locatie ervan in België. Volgens de minister had Servatius niet aannemelijk gemaakt dat dit project ten goede kon komen aan de Nederlandse woningmarkt en meer in het bijzonder aan de behoefte van woningzoekenden in de regio Maastricht. De rechtbank Maastricht die in mei 2006 over deze kwestie moest oordelen, was van mening dat het besluit van de minister een beperking vormde van het vrije kapitaalverkeer. De rechtbank stelt dat het belang van de volkshuisvesting op zichzelf als een uitzonderingsverbod kan worden beschouwd, maar de minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat het investeringsverbod noodzakelijk en proportioneel is. De rechtbank verklaart het door Servatius ingestelde beroep gegrond. Het ministerie stelt tegen deze uitspraak hoger beroep in bij de Raad van State, die vervolgens een aantal préjudiciële vragen aan het Hof stelt.

Prejudiciële vragen
De Raad van State stelde allereerst een aantal prejudiciële vragen aan het Europese Hof over de uitleg van de Europese regelgeving. Het Hof heeft die vragen nu beantwoord. Uit de antwoorden van het Hof blijkt dat de vrijheid van kapitaalverkeer de Minister niet de ruimte biedt corporaties te verbieden over de grens te bouwen. De Minister mag corporaties dit alleen verbieden als ze niet aan bepaalde voorwaarden hebben voldaan. Zo dient een dergelijke regeling te zijn gebaseerd op objectieve criteria die vooraf kenbaar zijn en niet discriminerend worden toegepast.

De Raad van State moet nu onderzoeken of aan die voorwaarden die het Hof stelt is voldaan. De rechtbank oordeelde eerder dat de Nederlandse regeling niet aan die criteria voldoet. De kans is groot dat de Raad van State tot dezelfde conclusie komt.

Vervolg
De Raad van State moet nu onderzoeken of aan die voorwaarden die het Hof stelt is voldaan. De rechtbank oordeelde eerder dat de Nederlandse regeling niet aan die criteria voldoet. De kans is groot dat de Raad van State tot dezelfde conclusie komt. (Bron: www.europadecentraal.nl)