Erfrecht en periodiek verrekenbeding

donderdag, 30 mei 2013

Ruzie met moeder!

Als vader komt te overlijden is dat al dramatisch genoeg. Hebben vader en moeder echter het periodiek verrekenbeding in hun huwelijksvoorwaarden niet uitgevoerd, dan ligt een nog dramatischer scenario op de loer: langdurige ruzie tussen de nabestaanden, in dit geval tussen moeder en de kinderen.

Is een verrekenbeding opgenomen in de huwelijkse voorwaarden maar niet uitgevoerd, dan schrijft de wet voor dat er alsnog moet worden verrekend tussen de echtelieden bij het einde van het huwelijk. Iedereen denkt dan aan een echtscheiding. Het huwelijk eindigt echter ook door overlijden van een van de echtgenoten. Komt bijvoorbeeld vader te overlijden en is er nimmer verrekend, dan kan er voor de erfgenamen een situatie ontstaan die nog lang voor onenigheid kan zorgen. En na het overlijden van vader is onenigheid over de financiën tussen moeder en de kinderen natuurlijk onwenselijk.

Ik ga er hier vanuit, dat vader geen testament heeft gemaakt en dat moeder en de kinderen zijn erfgenamen zijn. Alle activa en passiva van vader vererven aan moeder en de kinderen krijgen een vordering op moeder, opeisbaar bij haar overlijden, ter grootte van hun erfdeel. Maar wat is de omvang van de nalatenschap en dus van de kindsdelen?

Als het periodiek verrekenbeding nimmer is uitgevoerd, kan moeder na beëindiging van het huwelijk door overlijden alsnog aanspraak op verrekening maken. Heeft vader een eigen bedrijf in de vorm van een besloten vennootschap, bevinden zich daarin opgepotte winsten en vallen die winsten onder het te verrekenen vermogen, dan zou moeder zomaar een grote vordering op vader kunnen hebben. Die vordering kan de nalatenschap van vader aanzienlijk verkleinen en daarmee ook het erfdeel van de kinderen. Als de kinderen dit niet accepteren, zal er dus discussie ontstaan tussen hen en moeder of moeder echt wel een verrekenvordering heeft en zo ja, wat de omvang daarvan is. We weten uit ervaring dat over dit onderwerp altijd valt te discussiëren en te procederen, omdat de praktijk zelden naadloos aansluit op de bewoordingen van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, zoals die vaak tientallen jaren geleden zijn gekozen.

Moeder heeft uiteraard belang bij een zo hoog mogelijke verrekenvordering. Enerzijds omdat zij dan een zo groot mogelijk deel van het aanwezige vermogen ontvangt en anderzijds omdat het aan haar toekomende verrekenbedrag niet wordt verkregen uit de nalatenschap maar op grond van een verplichting voortvloeiend uit de huwelijkse voorwaarden; het verrekenbedrag is dus niet onderhevig aan erfbelasting (en ook niet aan inkomstenbelasting, het is immers te verrekenen vermogen).

Zijn de kinderen nog relatief jong als vader overlijdt, dan zullen ze zich met dit probleem waarschijnlijk niet bezighouden. Ze zijn nog minderjarig en moeder is hun wettelijk vertegenwoordiger. Problemen kunnen dan ontstaan wanneer de kinderen meerderjarig zijn, begrijpen wat er gaande is en zich bijvoorbeeld de situatie voordoet dat moeder wil hertrouwen; de kinderen kunnen dan hun wilsrecht inroepen om van moeder goederen te ontvangen met een waarde gelijk aan hun geldvordering/kindsdeel. Op dat moment worden de kinderen geconfronteerd met de door moeder gehanteerde berekening van de nalatenschap van vader, haar verrekenvordering, het kindsdeel en de daaruit voortvloeiende vordering. Op dat moment kan alsnog gemakkelijk verschil van inzicht tussen moeder en de kinderen ontstaan.

Een scenario als hierboven geschetst, moet natuurlijk bij voorkeur worden voorkomen. Ook als vader en moeder een uitstekend huwelijk hebben, moet dus jaarlijks toch gedacht worden aan uitvoering van het periodiek verrekenbeding. Alleen op die manier kan worden voorkomen dat na het droevige overlijden van een van de ouders de kinderen en de langstlevende ouder ook nog eens worden opgezadeld met een onderlinge financiële discussie.

Dit wordt natuurlijk voorkomen wanneer de huwelijkse voorwaarden van de bedoelde ouders een finaal verrekenbeding bevat. Zo een finaal verrekenbeding komt immers in de plaats van het periodiek verrekenbeding, ook als dit laatste niet is uitgevoerd. Niet alle huwelijkse voorwaarden bevatten echter een finaal verrekenbeding, omdat een dergelijk beding ook nadelen heeft: overlijdt de niet of beduidend minder vermogende ouder als eerste, dan levert een finaal verrekenbeding juist een hoger bedrag aan erfbelasting op dan zonder dit beding. Besparing van erfbelasting werkt alleen wanneer de meest vermogende ouder als eerste komt te overlijden. Wie eerst komt te overlijden is onzeker, maar juist in verband met die onzekerheid wordt de werking van het finaal verrekenbeding door de fiscus geaccepteerd voor de berekening van de erfbelasting.