Eerlijk zullen we alles delen?

vrijdag, 5 september 2014

Uitgangspunt van de thans geldende wettelijke gemeenschap van goederen is dat beide echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de huwelijksgemeenschap. Hierdoor is een echtgenoot in gelijke mate gerechtigd tot goederen die de ander voor of tijdens het huwelijk verkrijgt en vice versa. Ook de schulden van beide echtgenoten vallen in de gemeenschap van goederen. Hierin hebben de echtgenoten eveneens in beginsel een gelijk aandeel. Soms kan echter op grond van de redelijkheid en billijkheid van deze regel worden afgeweken. Hiervoor is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen ruimte.

Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden geval achtte de Hoge Raad aanwezig in zijn uitspraak van 30 maart 2012 (*1). In deze zaak was sprake van een man en een vrouw, die op 17 april 2008 in gemeenschap van goederen getrouwd waren. Op 30 oktober 2009 werd het kindloze huwelijk ontbonden. Voor zover sprake was geweest van een samenleving, was deze van korte duur. Het hof oordeelde dat slechts in uitzonderlijke gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van de gelijke draagplicht. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden achtte het hof niet aanwezig, zodat de schulden door beide partijen gedragen dienden te worden. Kortom, de vrouw was, overeenkomstig de hoofdregel, voor de helft draagplichtig voor de schulden van de man. Het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid kon de vrouw niet baten.

De Hoge Raad achtte deze uitspraak van het hof onjuist en oordeelde dat er wel degelijk sprake was van omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden, namelijk:

  • Tijdens het huwelijk was niet of nauwelijks sprake geweest van een samenwoning. In ieder geval was geen sprake geweest van een gemeenschappelijke huishouding;
  • De schulden zijn door de man voor het huwelijk aangegaan;
  • De vrouw heeft pas kennis gekregen van de schulden tijdens de echtscheidingsprocedure;
  • De stelling van de man, inhoudende dat de gelden, verkregen uit het krediet, onder meer zijn aangewend voor de betaling van de bruiloft, kan niet juist zijn;
  • Het is aannemelijk dat de man de gelden heeft aangewend voor de aankoop van auto’s of onroerend goed in Marokko.

Op 13 maart 2014 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden dat in de aan hem voorgelegde zaak eveneens sprake was van uitzonderlijke omstandigheden, die een uitzondering op de gelijke draagplicht rechtvaardigen (*2). In dit geval ging het om schulden van de man aan zijn zus. De man is de schuld zelfstandig en zonder overleg met de vrouw aangegaan in een periode dat partijen niet meer samenwoonden en geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden. Derhalve had de vrouw geen wetenschap van de schuld. De man heeft vervolgens in de procedure aangevoerd dat het aangaan van de schuld noodzakelijk was. Hij had het geld nodig om zijn huishouding te kunnen bekostigen, zijn woning in te  richten, advocaatkosten te betalen en andere schulden van de gemeenschap te betalen. De vrouw stelde dat bij de berekening van de alimentatie al rekening is gehouden met de kosten van de huishouding van de man en zijn dubbele woonlasten.

Het hof oordeelde dat het op de weg van de man lag om alsnog aannemelijk te maken dat hij de schuld was aangegaan om gemeenschappelijke schulden te betalen. Daarnaast dienden partijen naar redelijkheid en billijkheid de eigen kosten van rechtsbijstand te dragen.

Op grond van de feiten en omstandigheden in deze zaak kwam het hof tot de conclusie dat een afwijking van de hoofdregel in dit geval gerechtvaardigd was. De vrouw was niet draagplichtig voor de schuld aan de zus van de man. Dit betekent, aldus het hof, dat de schuld geheel door de man diende te worden afgelost, zonder dat hij de helft van de aflossing kon verhalen op de vrouw.

Uit de twee voorgaande uitspraken blijkt, dat voor een uitzondering op de hoofdregel van de gelijke draagplicht op grond van de redelijkheid en billijkheid, sprake dient te zijn van uitzonderlijke feiten en omstandigheden. Indien de rechter vaststelt dat één van de echtgenoten een schuld niet mede hoeft te dragen, zijn echter nog niet alle gevolgen van de schuld voor deze echtgenoot verdwenen. Hoewel de draagplicht is verlegd naar één van de echtgenoten, blijft de andere echtgenoot wel tegenover de schuldeiser aansprakelijk voor de gehele schuld op grond van artikel 1:102 BW. Dit betekent dat de schuld enkelintern verlegd kan worden. Extern hebben deze uitspraken geen werking. Schuldeisers van de gemeenschap worden op deze manier beschermd.

______________


(*1) Hoge Raad 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749. Zie ook de verwijzingsuitspraak: Hof Amsterdam 14 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1866.

(*2) Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2472.