Echtgenote moet meetekenen bij overeenkomst van borgtocht

woensdag, 2 september 2009

Bij het aangaan van een overeenkomst van borgtoch door een bestuurder van een bedrijf, dient deze, indien hij of zij gehuwd is, behoudens in uitzonderingsgevallen toestemming te hebben van zijn of haar echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner, zo bepaalt artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek. Indien de echtgenote of geregistreerd partner geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van deze overeenkomst, kan hij of zij de overeenkomst van borgtocht vernietigen en kan zijn of haar echtgenoot of partner niet langer persoonlijk worden aangesproken. Onlangs oordeelde de rechtbank Arnhem over een zaak waarin echtgenotes zich op de vernietigbaarheid van een door hen niet ondertekende overeenkomst van borgtocht beriepen.

Solvendi is leverancier van payroll-diensten. Zij heeft met KCS een overeenkomst afgesloten op basis waarvan zij dergelijke diensten ook aan KCS verleent. Solvendi factureert wekelijks voor de aan KCS geleverde diensten. Begin 2007 gaan aandeelhouder 1 en aandeelhouder 2 van KCS een overeenkomst van borgtocht aan met Solvendi tot een bedrag van € 200.000, waarbij zij zich persoonlijk borg stellen voor betalingen van KCS aan Solvendi. Aandeelhouder 1is ongehuwd, aandeelhouder 2 laat zijn echtgenote meetekenen.

Omdat het KCS in de daaropvolgende maanden steeds slechter ging, hebben partijen afgesproken dat de vordering die Solvendi op dat moment op KCS had, werd omgezet in een geldlening. Voor deze overeenkomst van geldlening werd in april 2007 een nieuwe overeenkomst van borgstelling aangegaan tussen Solvendi en alle vier de aandeelhouders van KCS Ieder der aandeelhouders stelde zich borg tot een bedrag van € 40.000,-. Indien de echtgenotes van de aandeelhouders de borgtochten mee zouden tekenen, kwamen de oude borgtochten van aandeelhouder 1 en aandeelhouder 2 tot € 200.000,- te vervallen. Deze tweede overeenkomst werd door geen van de echtgenotes van de getrouwde aandeelhouders 2, 3 en 4 meegetekend.

In juli 2007 is KCS failliet gegaan. De curator in het faillissement heeft de aandeelhouders hierop aangesproken op grond van de overeenkomsten van borgtocht tot een bedrag van respectievelijk € 240.000 (aandeelhouder 1 en 2) en € 40.000,- (aandeelhouder 3 en 4). De echtgenotes van de getrouwde aandeelhouders 2, 3 en 4 hebben daarop de vernietiging van deze overeenkomsten van borgtocht ingeroepen nu zij deze niet hadden meegetekend en stellen dat hun mannen niets aan de curator hoeven te voldoen.

De rechtbank is het met de vrouwen eens dat de nieuwe borgtochten tot € 40.000 niet in stand kunnen blijven nu de echtgenotes deze vernietigen. Omdat aandeelhouder 1 en 2 en Solvendi in april 2007 zijn overeengekomen dat de oude overeenkomsten van borgtocht van € 200.000,- kwamen te vervallen nu er een nieuwe overeenkomst van borgtocht werd gesloten, verbind de rechtbank hieraan voor aandeelhouder 1 en 2 echter het gevolg dat, omdat de echtgenotes de nieuwe overeenkomsten van borgtocht niet hebben meegetekend, de oude overeenkomsten van borgtocht tot een bedrag van € 200.000,- niet zijn komen te vervallen, nu het meetekenen door de echtgenotes door Solvendi als voorwaarden voor dit vervallen is gesteld.

De rechtbank komt tot de conclusie dat aandeelhouder 1 zich borg heeft gesteld voor een totaalbedrag van € 240.000 en veroordeelt hem tot betaling van dit bedrag. Aandeelhouder 2 heeft zich eveneens voor een bedrag van € 240.000,- borg gesteld, maar nu zijn echtgenote de tweede borgstelling met succes heeft vernietigd, veroordeelt de rechtbank hem tot betaling van € 200.000,-. Aandeelhouder 3 en 4 hoeven, na de succesvolle vernietiging van de overeenkomsten van borgtocht door hun echtgenotes, niets meer te voldoen.

LJN BD3458 (tussenvonnis) en LJN BJ4959 (eindvonnis)