Doorbraak van aansprakelijkheid na inter-company transactie

donderdag, 3 juni 2010

De Rechtbank Utrecht heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak tussen een Duitse vennootschap die haar in Duitsland gewezen vonnis niet ten uitvoer kon leggen jegens een Nederlandse vennootschap nu deze middels een activa/passiva-transactie met haar moeder was ‘leeggehaald’. De Rechtbank oordeelde onder andere dat dit handelen onrechtmatig was jegens deze Duitse vennootschap.

Medio 2004 heeft Mediasystemen BV (hierna “Mediasystemen”) al haar activa en sommige passiva verkocht en geleverd aan haar moedermaatschappij, tevens (mede)bestuurder, TPN BV (hierna “TPN”). Vaststaat dat de heer Manders (als statutair bestuurder van Mediasystemen) en de heer Crijns (als statutair bestuurder van TP NV (hierna “TP”), zijnde de moedervennootschap van TPN, en als indirect bestuurder van TPN en Mediasystemen) de handelingen hebben verricht die met de in geding zijnde overeenkomst en de uitvoering daarvan samenhingen.

De verkoopprijs bedroeg officieel weliswaar € 478.000,-, maar volgens een door Mediasystemen ingeschakeld adviesbureau was de waarde van het gekochte op dat moment in werkelijkheid nihil. Veel voordeel leverde deze (te hoge) koopprijs de schuldeisers van Mediasystemen niet op, want de door TPN verschuldigde koopprijs werd meteen verrekend met hetgeen Mediasystemen aan haar moeder in rekening-courant verschuldigd was. Mediasystemen bleef achter als een lege, slapende vennootschap. Ruim een jaar vóór bovengenoemde transactie was Mediasystemen echter in Duitsland gedagvaard door Lensing-Wolff wegens wanprestatie en op 13 december 2007 werd diens vordering door de Duitse rechter toegewezen. Na de bewuste transactie bood Mediasystemen echter geen verhaal meer en Lensing-Wolff vordert -onder andere- dat voor recht wordt verklaard dat de voornoemde overdracht nietig is op grond van het bepaalde in artikel 3:45 BW (en dus paulianeus was) en om Mediasystemen, TPN, TP, de heer Crijns en de heer Manders hoofdelijk te veroordelen om aan Lensing-Wolff de schade te vergoeden die zij door hun onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden.

Al deze vorderingen werden door de rechtbank Utrecht toegewezen, maar onderstaand zal ik met name ingaan op de doorbraak van aansprakelijkheid naar TPN, TP, de heer Crijns en de heer Manders.

De Rechtbank stelt daarbij voorop dat de wanprestatie van een rechtspersoon onder omstandigheden kan meebrengen dat de bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is ten aanzien van de benadeelde, indien hem te dier zake een voldoende ernstig persoonlijk verwijt treft. Dit is het inmiddels alom bekende criterium uit het arrest Ontvanger/Roelofsen (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659). Voor de invulling van dit criterium grijpt de Rechtbank vervolgens terug op een ouder arrest van de Hoge Raad namelijk het arrest van 12 juni 1998, NJ 1998, 727 (Coral/Stalt).

In haar hoedanigheid als moedervennootschap en bestuurder van Mediasystemen diende TPN acht te slaan op een evenwichtige belangenbehartiging van alle crediteuren van Mediasystemen. Door bij die stand van zaken haar eigen vordering uit hoofde van haar rekening-courantverhouding met Mediasystemen te verrekenen met de voldane koopsom (het toentertijd enige verhaalsobject van Mediasystemen), wetende dat andere schuldeisers -zoals Lensing-Wolff- daardoor werden beroofd van de toen bestaande verhaalsmogelijkheden, heeft TPN op onrechtmatige wijze de belangen van Lensing-Wolff geschonden. Daarbij telt dat, in het licht van de beëindiging van de ondernemingsactiviteiten van Mediasystemen, nadien geen nieuwe vermogensbestanddelen van Mediasystemen te verwachten waren waaruit zij haar schuldeisers kon voldoen. Dat de in geding zijnde activa/passiva-transactie was ingegeven door verantwoord bedrijfsbeleid binnen de desbetreffende bedrijvenfamilie, is daartoe van onvoldoende gewicht, juist omdat het hier gaat om het stilleggen van de ondernemingsactiviteiten van Mediasystemen en de betekenis die daarbij toekomt aan de positie van ál haar schuldeisers.

Bij de transactie was in de persoon van Crijns zowel de verkoper (Mediasystemen) alsook de koper (TPN)  vertegenwoordigd en heeft hij in beide hoedanigheden opzettelijk slechts gehandeld ten gunste van de genoemde bedrijvenfamilie. In dat geval had ook Crijns zelf (wiens handelen en kennis aan elk van die bedrijven moet worden toegerekend) moeten begrijpen dat door dat handelen de verhaalsmogelijkheden van wie van die bedrijvenfamilie geen deel uitmaken, zoals Lensing-Wolff, illusoir werden en dat nieuwe vermogensbestanddelen van Mediasystemen ter voldoening van haar schuldeisers niet te verwachten waren. Op grond van deze omstandigheden, in onderling verband bezien, moet worden geoordeeld dat zowel TP alsook Crijns (juist met het oog op de genoemde hoedanigheden) ter zake van voornoemd handelen een zodanig ernstig verwijt treft dat hun handelen onrechtmatig was jegens Lensing-Wolff.

Anders dan Crijns, was Manders slechts als bestuurder van Mediasystemen bij de totstandkoming en uitvoering van de in geding zijnde overeenkomst (feitelijk) betrokken geweest. Ten aanzien van Manders geldt echter dat bij de beëindiging van de ondernemingsactiviteiten van Mediasystemen hij de belangen van alle crediteuren in acht had dienen te nemen. Ook Manders heeft aldus slechts gehandeld ten gunste van de bedrijvenfamilie waarvan Mediasystemen deel uitmaakt. Ook hij heeft moeten begrijpen dat door het gewraakte handelen de verhaalsmogelijkheden van wie van die bedrijvenfamilie geen deel uitmaken, zoals Lensing-Wolff, illusoir werden en dat nieuwe vermogensbestanddelen van Mediasystemen ter voldoening van haar schuldeisers niet te verwachten waren. Ook Manders treft daarom het verwijt onrechtmatig te hebben gehandeld jegens Lensing-Wolff.

bron: rechtbank Utrecht 24 maart 2010, LJN: BL 8927.