Directeur stichting kan zich niet beroepen op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

donderdag, 17 juni 2010

Een stichting, geïntimeerde in onderhavig hoger beroep, is in 1992 door X opgericht. Zij houdt zich bezig met de buitenschoolse opvang van kinderen. X was tot 1 maart 1998 voorzitter van het bestuur van die buitenschoolse opvang. Daarnaast was hij belast met de dagelijkse leiding.

Hij initieerde in belangrijke mate het beleid van de buitenschoolse opvang en voerde dat uit. X is ook initiatiefnemer en bestuurslid van Y, een stichting die zich ten doel stelt de inhoudelijke vernieuwing en versterking van de kinderopvang voor schoolgaande kinderen te stimuleren, dienaangaande adviezen te verstrekken en experimenten op dit terrein te ondersteunen en te begeleiden. Het bestuur van de buitenschoolse opvang en X zijn eind 2001 overeengekomen het dienstverband van X te beëindigen. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2002 door de kantonrechter te Groningen ontbonden op de door partijen overeengekomen condities. Na verkregen verlof heeft de buitenschoolse opvang tot zekerheid van verhaal van haar vordering op X conservatoir beslag gelegd onder zichzelf (op hetgeen zij uit hoofde van de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan X verschuldigd was) en onder Postbank N.V. en voor haar vordering op Y onder Postbank N.V.

De buitenschoolse opvang heeft in de inleidende dagvaarding een aantal vorderingen ingesteld tegen X en Y, waaronder een vordering van fl. 40.000,00 (€ 18.151,21) uit onverschuldigde betaling op X in verband met aan hem gedane contante betalingen. Deze vordering is door de buitenschoolse opvang in eerste aanleg na (onderzoek ter) comparitie slechts gehandhaafd tot een bedrag van € 10.024,92.

Het geschil in onderhavige appelprocedure spitst zich hoofdzakelijk toe op de vraag of aan X terecht een bedrag van fl. 40.000,00 is betaald in verband met wat tussen partijen bekend staat als “afkoop Cognac”. “Cognac” is de eenmanszaak van X, waarin hij zijn ideeën over kinderopvang, pedagogische kwaliteiten c.a. ontwikkelde, publicaties verzorgde en lezingen, workshops en adviezen aan derden gaf. Volgens X heeft hij de (immateriële) activa van en inkomsten uit Cognac, op last van het toenmalige bestuur van de buitenschoolse opvang, ingebracht in de buitenschoolse opvang toen hij fulltime voor de buitenschoolse opvang ging werken, maar is toen tussen hem en het bestuur afgesproken dat hij voor de inbreng van Cognac een vergoeding zou ontvangen. Uiteindelijk heeft een medewerker van de buitenschoolse opvang, Veenstra, daartoe gemachtigd door het bestuur van de buitenschoolse opvang, met X de afspraak gemaakt dat X een bedrag van fl. 40.000,00 zou ontvangen. Dit terwijl volgens X een veel hoger bedrag op zijn plaats zou zijn geweest. De betaling van het bedrag van fl. 40.000,00 berust volgens X dan ook op een rechtsgeldig gemaakte afspraak tussen hem en Veenstra. X wijst er in dit verband op dat het staande praktijk was dat Veenstra zelfstandig financiële kwesties afhandelde. Hij was daartoe als penningmeester door het bestuur gemandateerd. De buitenschoolse opvang betwist dat Veenstra bevoegd was om haar te vertegenwoordigen. Zij wijst daartoe op de regeling van de vertegenwoordigingsbevoegdheid in artikel 8 van haar statuten, die ook in het handelsregister is gepubliceerd.

Uit deze feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof niet dat Veenstra bevoegd was de buitenschoolse opvang te vertegenwoordigen toen hij de afspraak over de betaling van fl. 40.000,00 met X maakte en dat de buitenschoolse opvang door deze afspraak ook gebonden was. Op grond van artikel 8 van de statuten van de buitenschoolse opvang was Veenstra namelijk niet bevoegd om de buitenschoolse opvang alleen te vertegenwoordigen. Ook indien Veenstra de opdracht heeft gekregen om met X te onderhandelen over de afkoop Cognac, betekent dat niet dat hij bevoegd was om de buitenschoolse opvang te vertegenwoordigen en door het maken van een afspraak te binden. Dat is alleen anders indien de door Veenstra gemaakte afspraak berust op een bestuursbesluit dat Veenstra de ruimte biedt deze afspraak namens de buitenschoolse opvang te maken dan wel indien het bestuur de door Veenstra gemaakte afspraak heeft bekrachtigd. Uit in dit verband in eerste aanleg gevoerde getuigenverhoren is van deze bevoegdheid van Veenstra niet gebleken.

X stelt zich in hoger beroep voorts op het standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat Veenstra bevoegd was de hiervoor bedoelde afspraak met hem te maken. Hij heeft in dat kader verwezen naar de staande praktijk binnen de buitenschoolse opvang, die er volgens hem erop neerkwam dat financiële kwesties door hem, samen met de penningmeester, werden afgehandeld. Het hof stelt bij de beoordeling van dit betoog voorop dat nu de statutaire bevoegdheidsregeling in het handelsregister is ingeschreven, de buitenschoolse opvang zich jegens derden, derhalve ook jegens X, op deze regeling kan beroepen
(artikel 2:6 lid 4 BW) en dat de buitenschoolse opvang desondanks alleen gebonden is wanneer X onder de gegeven omstandigheden heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat aan Veenstra een toereikende volmacht was verleend (artikel 3:61 lid 2 BW).

In een situatie waarin, zoals hier, niet een min of meer toevallige derde, maar een voormalig bestuurder van de buitenschoolse opvang en directeur in dienst van de buitenschoolse opvang ten tijde van de onderhavige rechtshandeling - kortom een "spilfiguur" binnen de buitenschoolse opvang - zich op een door de bestuurder van de buitenschoolse opvang opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid beroept, ligt het, behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, evenwel niet in de rede dat dit beroep slaagt. De vordering van de buitenschoolse opvang wordt dan ook – tot een bedrag van € 10.024,92 – toegewezen.

(Gerechtshof Leeuwarden d.d. 30 maart 2010, LJN: BL9965, www.rechtspraak.nl)