De woning en de faillissementsboedel

dinsdag, 15 november 2011

Valt een woning, die op naam staat van een echtgenote die buiten gemeenschap van goederen met gefailleerde is gehuwd, in de faillissementsboedel? Over die vraag boog het Gerechtshof Arnhem zich eerder dit jaar.

Partijen  trouwen op 5 augustus 2000 buiten iedere gemeenschap van goederen. Voor het huwelijk verwerft de vrouw een appartementsrecht, dat zij financiert met een hypothecaire geldlening. In het voorjaar van 2002 verkoopt de vrouw het appartementsrecht voor een bedrag van € 115.000,--.

In de periode tussen het tekenen van de voorlopige koopovereenkomst en de levering van het appartementsrecht koopt de vrouw een woning voor € 174.459,71 (incl. k.k.). De aankoop wordt gefinancierd met een hypothecaire geldlening ter grootte van € 124.113,--, waarvoor de vrouw en haar man ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn, en een overbruggingskrediet van € 51.587,84. Het overbruggingskrediet wordt met de opbrengst van het appartementsrecht afgelost. Aan de hypothecaire geldlening is een levensverzekering gekoppeld, waarvoor zowel de man als de vrouw verzekerden en premieschuldigen zijn.

De man had een bedrijf waarvoor beide partijen werkzaam waren. Nadat het bedrijf van de man zijn deuren sloot, traden beiden in dienst bij een derde, waar de man fulltime en de vrouw parttime gingen werken. De salarissen worden op de bankrekeningen van de vrouw gestort. De man wordt in 2008, nadat de toepassing van de schuldsaneringsregeling jegens hem werd beëindigd, in staat van faillissement verklaard. Ook het vrij te laten bedrag tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt op de bankrekening van de vrouw overgemaakt. Van deze rekeningen vinden betalingen plaats ten behoeve van de verschuldigde hypotheekrente en de premie van de levensverzekering.

Tijdens het faillissement stelt de curator zich op het standpunt dat de woning van de vrouw tot de faillissementsboedel behoort. Hij meent immers dat de woning niet uitsluitend met privémiddelen van de vrouw is gefinancierd. De vrouw kan de woning volgens de curator niet op grond van artikel 61 lid 4 juncto lid 1 van de Faillissementswet (Fw) terugnemen. Artikel 61 lid 1 Fw houdt in dat de echtgenoot van de gefailleerde alle goederen kan terugnemen die hem/haar toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Artikel 61 lid 4 Fw voegt daaraan de bijzondere regel toe dat goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van aan de echtgenoot buiten de gemeenschap toebehorende gelden, door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen mits de belegging of wederbelegging in geval van geschil door voldoende bescheiden ten genoegen van de rechter wordt bewezen. De rechtbank wees de vordering van de curator toe.

In appel betoogt de vrouw dat ten onrechte van de toepasselijkheid van artikel 61 Fw is uitgegaan. Zij stoelt haar betoog allereerst op het feit dat partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat er geen enkele onduidelijkheid bestaat over de vraag tot wiens eigendom de woning behoort.

Het hof volgt de vrouw niet in haar betoog. Vaste rechtspraak over artikel 61 lid 4 juncto lid 1 Fw leert immers dat bewezen dient te worden dat de goederen door de echtgenoot in eigendom zijn verkregen èn geheel met eigen middelen zijn gefinancierd, willen zij door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen. Wanneer de echtgenoot niet in dit tweeledige bewijs slaagt, vallen de goederen in de boedel (vgl. HR 23 mei 1924, NJ 1924, p. 817). Uit voornoemd arrest en uit HR 27 mei 1966, NJ 1966, 352 valt af te leiden dat voormelde regel ook van toepassing is indien de echtgenoten buiten iedere gemeenschap zijn gehuwd. Ook het standpunt dat genoemde bepaling slechts ziet op gevallen waarin onduidelijk is wie van beide echtgenoten rechthebbende is op het goed, vindt geen steun in het recht. De strekking van voormelde bepaling is immers dat de echtgenoot goederen waartoe hij/zij is gerechtigd alleen dan kan terugnemen, als hij bewijst dat hij/zij deze geheel met eigen middelen heeft verworven.

Voorts beroept de vrouw zich tegen het oordeel dat zij niet met schriftelijke bescheiden bewezen zou hebben dat zij de woning uitsluitend met privémiddelen zou hebben gefinancierd. Met de door de vrouw (en wellicht ook de man) gekozen constructie van financiering van de woning (waaronder een hypothecaire geldlening waar beiden voor hoofdelijk aansprakelijk zijn en een daaraan verbonden levensverzekering waarvoor beiden verzekerden en premieplichtig zijn), kwam het hof tot de conclusie dat de vrouw slechts een deel van de woning met privé middelen heeft gefinancierd, te weten het bedrag dat zij uit de verkoopopbrengst van het appartementsrecht had aangewend. Gelet daarop is volgens hof niet bewezen dat de woning uitsluitend uit privégelden van de vrouw is gefinancierd.

Een  beroep op de artikelen 1:124 lid 2 BW en artikel 1:125 BW en artikel 1 EVRM door de vrouw, bracht in dat oordeel geen wijziging.

Het hof acht –evenals de rechtbank-  onder de omstandigheden van partijen dat het aannemelijk is dat de man in de periode van de aankoop van de woning en het faillissement met zijn inkomen – direct of indirect- heeft bijgedragen aan de betaling van de hypotheeklasten en premies levensverzekering. Dat op de hypothecaire geldlening tijdens de looptijd ervan alleen rente en geen aflossing hoefde te worden betaald, doet daaraan niets af.

De constatering dat de woning in de faillissementsboedel valt, heeft geen gevolgen voor het eigendomsrecht van de vrouw. Een verplichting om mee te werken aan eigendomsoverdracht aan de man vloeit uit die constatering dus niet voort. Het voorgaande neemt niet weg dat de vrouw wel dient mee te werken aan verkoop van de woning, nu de curator bevoegd is deze als onderdeel van de boedel te gelde te maken.

Meer informatie:

Hof Arnhem 28 juni 2011, LJN: BR2618

T.M. Subelack, ‘De verstrekkende gevolgen van het faillissement van één der echtgenoten'