De woning en de faillissementsboedel II

maandag, 19 maart 2012

Op 15 november 2011 heb ik in deze nieuwsbrief de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 28 juni 2011 behandeld. Die zaak ging over een echtpaar dat op huwelijkse voorwaarden was gehuwd. De man werd tijdens het huwelijk failliet verklaard. De vraag of de curator de echtelijke woning die in eigendom van de vrouw was tot de faillissementsboedel kon rekenen, werd toen bevestigend beantwoord. Op 11 januari 2011 wees het Hof ’s-Hertogenbosch een uitspraak over eenzelfde situatie. Ditmaal luidde het antwoord echter ontkennend.

Partijen trouwen op 4 september 1992 na het maken van huwelijkse voorwaarden. In deze huwelijkse voorwaarden hebben partijen vastgelegd dat er ‘slechts’ een gemeenschap van inboedel is. Iedere andere gemeenschap van goederen is uitgesloten.

Partijen hebben een woning in gezamenlijke eigendom (eenvoudige gemeenschap van goederen). Deze woning wordt op 30 januari 1997 voor een bedrag van ƒ 610.000,-  aan de vrouw toegedeeld. Op de woning rust op dat moment een hypotheek van ƒ 550.000,- die de vrouw voor haar rekening neemt. De man komt ter zake van deze toedeling een bedrag van ƒ 30.000,- toe. Dat bedrag wordt door de vrouw aan de man voldaan door voldoening van een tweetal schulden van de man bij derden.

Binnen één maand na de toedeling van de woning aan de vrouw verkoopt de vrouw de woning aan een derde voor een bedrag van ƒ 665.000,- (te vermeerderen met een bedrag van ƒ 20.000,- voor de inboedel). De woning wordt op 1 mei 1997 aan die derde geleverd. Met de verkoopopbrengst is de hypothecaire geldlening van ƒ 550.000,- afgelost. De netto verkoopopbrengst bedroeg ƒ 121.107,76.

Op 2 mei 1997 krijgt de vrouw een nieuwe woning geleverd voor een koopprijs van ƒ 330.000,- (inclusief ƒ 10.000,- voor roerende zaken). De koopsom wordt voor ƒ 25.918,33 ten laste van de verkoopopbrengst van de op 1 mei 1997 geleverde woning en voor het overige met een lening bij de bank van ƒ 350.000,- voldaan. Voor deze laatste geldlening bij de bank hebben partijen zich ieder hoofdelijk schuldig verklaard.

Op 23 april 2001 wordt door partijen een nieuwe hypothecaire geldlening afgesloten ter grootte van ƒ 410.000,-. Beide partijen zijn voor deze lening hoofdelijk aansprakelijk. Met de geldlening wordt de oude lening bij de bank van ƒ 350.000,- afgelost. Het restant van de lening is gebruikt om schulden van de man af te lossen.

Op 5 januari 2005 wordt de man in staat van faillissement verklaard.

De curator stelt zich op het standpunt dat woning van de vrouw tot de faillissementsboedel behoort. De vrouw bestrijdt dat met een beroep op het terugnemingsrecht ex artikel 61 leden 1 en 4 Faillissementswet.

Artikel 61 lid 1 Faillissementswet houdt in dat de echtgenoot van de gefailleerde alle goederen kan terugnemen die hem/haar toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Artikel 61 lid 4 Faillissementswet voegt daaraan de bewijsregel toe dat goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van aan de echtgenoot buiten de gemeenschap toebehorende gelden, door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen mits de belegging of wederbelegging in geval van geschil door voldoende bescheiden ten genoegen van de rechter wordt bewezen. Voor toewijzing van de vordering van de vrouw moet dan ook komen vast te staan dat zij a) eigenaar van de woning is en b) dat zij de woning met eigen middelen heeft gefinancierd.

Tussen betrokkenen bestaat geen discussie over het feit dat de woning volledig eigendom is van de vrouw. De rechtbank is echter van oordeel dat de woning door de vrouw niet met eigen middelen is gefinancierd. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat de woning in de faillissementsboedel van de man valt. De vrouw komt van deze beslissing in appel

Ook in appel betoogt de curator dat de aankoop van de tweede woning grotendeels is gefinancierd met een geldlening waarvoor zowel de man als de vrouw zich hoofdelijk schuldig hebben verklaard. Voorts stelt de curator dat de hypotheeklasten niet door de vrouw zelf zijn betaald, maar door de ondernemingen van de vrouw. Verder voert de curator aan dat bij toedeling van de eerste woning aan de vrouw sprake is geweest van een vermogensverschuiving van de vrouw naar de man, ten nadele van de schuldeisers van de man. Aangezien een deel van de opbrengst van de woning is gebruikt voor de financiering van de aankoop van de tweede woning kan volgens de curator niet worden volgehouden dat de vrouw de tweede woning volledig met eigen middelen heeft gefinancierd.

Het Hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor beide woningen alle hypotheekbetalingen voor haar rekening heeft genomen. Deze betalingen zijn namelijk geboekt ten laste van de rekening-courant van de vrouw bij de B.V., respectievelijk ten laste van haar kapitaalrekening bij de VOF. Voorts verklaart de vrouw onweersproken dat de man tijdens het huwelijk meerdere malen failliet is verklaard, dat zij meer dan ƒ 300.000,- uit eigen middelen heeft bijgedragen om de schuldeisers van de man te voldoen, terwijl ook haar ouders (tot een bedrag van ƒ 200.000,-) schuldeisers van de man hebben voldaan. Deze bedragen zijn nimmer aan de vrouw en haar ouders terugbetaald. Het Hof oordeelt dat de vrouw hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man niet over financiële middelen beschikt om een bijdrage te leveren in de betaling van de hypotheeklasten. Het Hof acht in dit verband mede van belang dat zowel door de curator als door de rechter-commissaris in het faillissement is erkend dat de man nimmer heeft bijgedragen in de kosten van de tweede woning.

Voorts oordeelt het Hof dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ook in de toekomst de hypotheeklasten volledig voor haar rekening kan nemen. Uit een door haar overlegde productie blijkt immers dat de hypotheekbank afziet van haar vorderingsrecht op de man als de vrouw de woning uit de faillissementsboedel kan terugnemen. Het betoog van de curator dat voor de beoordeling van het hoofdelijk schuldenaarschap uitgegaan moet worden van de situatie ten tijde van het faillissement van de man (op grond van het fixatiebeginsel), zodat de na het faillissement opgemaakte brief van de hypotheekbank voor de beoordeling van de zaak niet relevant is, wordt door het Hof verworpen. Het door de curator bedoelde fixatiebeginsel in faillissementen geldt naar het oordeel van het Hof voor de omvang van de failliete boedel en van de vorderingen van de schuldeisers, maar niet voor de beoordeling van de vraag of een echtgenoot een geslaagd beroep kan doen op het bepaalde in artikel 61 Faillissementswet.

Het Hof meent dat het in het midden kan blijven of er door de toedeling van de eerste woning aan de vrouw sprake is geweest van een vermogensverschuiving ten nadele van de man. In dat kader acht het hof van belang dat partijen in de verdelingsakte over en weer volledige kwijting hebben verleend. Voorts is slechts een deel van de verkoopopbrengst van de eerste woning aangewend voor betaling van de koopsom van de tweede woning. Het restant van de opbrengst van de verkoop van de eerste woning is grotendeels gebruikt voor de aflossing van de schulden van de man, hetgeen ook door de vrouw is aangetoond. Het Hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden volgehouden dat sprake is geweest van benadeling van de schuldeisers van de man. Immers, slechts een klein deel van de opbrengst van de eerste woning is gebruikt voor de financiering van de tweede woning.

Op basis van voorstaande overwegingen oordeelt het Hof dat de vrouw in voldoende mate heeft aangetoond dat zij de tweede woning volledig uit eigen middelen heeft gefinancierd. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart alsnog voor recht dat de vrouw de woning uit de faillissementsboedel kan nemen. De vordering van de curator wordt afgewezen.

Meer informatie:
Hof ’s-Hertogenbosch 11 januari 2011,
LJN BU6470
Hof Arnhem 28 juni 2011, LJN BR2618

T.M. Subelack ‘De verstrekkende gevolgen van het faillissement van één der echtgenoten