De Wabo: de invoering van de omgevingsvergunning per 1 oktober 2010

dinsdag, 5 oktober 2010

Met de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober jl. is de omgevingsvergunning geïntroduceerd. De Wabo integreert een groot aantal (circa 25) vergunningen, ontheffingen en meldingen, die in de Wabo toestemmingen genoemd worden tot één omgevingsvergunning. Kort samengevat leidt een omgevingsvergunning tot invoering van één loket, één digitaal aanvraagformulier, één bevoegd gezag, één beschikking, één legesnota, één uniforme procedure, één procedure voor bezwaar en beroep, en één handhavend bestuursorgaan.

De omgevingsvergunning vervangt naast de bouwvergunning een groot aantal toestemmingen die nodig zijn voor activiteiten die van invloed zijn op de leefomgeving, waaronder ook het projectbesluit (art. 3.10 Wro, voorheen art. 19 Wro-procedure), de sloop- en aanlegvergunning, milieu-, natuur-en monumentenvergunning en gebruiksvergunningen.  Het projectbesluit van artikel 3.10 Wro verdwijnt en wordt vervangen door een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De bevoegdheid om bestemmingsplannen (en inpassingsplannen), wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen vast te stellen, wordt niet in de Wabo geïntegreerd.

Verder wordt met de Wabo het vereiste van de zgn. verklaring van geen bedenkingen (VVGB) ingevoerd. Dit betekent dat het bevoegd gezag voor de verlening van een omgevingsvergunning in bepaalde situaties afhankelijk is van de medewerking van andere bestuursorganen. Dit betekent in de praktijk dat het College van Burgemeester en Wethouders voor het verlenen van een omgevingsvergunning, die ook een afwijking van het bestemmingsplan (projectbesluit) bevat, eerst over een VVGB van de gemeenteraad moet beschikken alvorens de omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit geldt ook voor de vergunning/ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.

Zoals al is aangegeven, vervangt de omgevingsvergunning een groot aantal toestemmingen die nodig zijn voor activiteiten die van invloed zijn op de leefomgeving. Alle toestemmingen moeten in beginsel tegelijk worden aangevraagd. Dit geldt niet indien er geen sprake is ‘van onlosmakelijk verbonden activiteiten’. Dit is aan de orde als een project bestaat uit werkzaamheden die in fysieke zin niet van elkaar zijn te onderscheiden. Als voor een project met meer dan één van de genoemde activiteiten een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, wordt in één beschikking over al die activiteiten beslist. Degene die het project uitvoert, kan er ook voor kiezen om zijn project op te delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten achtereenvolgens afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen. Er zijn namelijk situaties denkbaar dat het voor de aanvrager niet wenselijk is om in een keer een omgevingsvergunning te vragen voor het gehele alles omvattende project. Indien wenselijk kan bijvoorbeeld eerst een omgevingsvergunning worden gevraagd voor een onderdeel van het project, zoals het grondwerk ten behoeve van het bouwrijp maken en het slopen van gebouwen. Daarna kan de omgevingsvergunning worden verkregen voor het slopen van opstallen en vervolgens voor de bouw van de woningen. Op deze wijze kan de initiatiefnemer van een project de vergunningverlening via een serie van aanvragen precies laten aansluiten bij de volgtijdelijkheid van de te verrichten activiteiten waaruit een project bestaat.

Naast de mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor een deel van het totale project aan te vragen, is het ook mogelijk om een gefaseerde omgevingsvergunning aan te vragen. Als de aanvrager om een gefaseerde verlening verzoekt, moet aan dat verzoek worden voldaan. Een omgevingsvergunningverlening in 2 fases verschilt essentieel van de omgevingsvergunningverlening voor deelprojecten. Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid dat deelproject ook daadwerkelijk uit te voeren. Het besluit dat bij de gefaseerde omgevingsvergunning in de eerste fase wordt genomen, geeft zo’n bevoegdheid niet. Het zegt alleen of op basis van bepaalde toelatingsciteria het (deel) project al dan niet een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen.

Bij gefaseerde aanvragen van de omgevingsvergunning doorlopen de beide aanvragen de voor het gehele project geldende procedure. Elke beschikking is appellabel. Het gefaseerd aanvragen kost daarom meer tijd dan het indienen van één aanvraag voor het gehele project. Hier staat tegenover dat de aanvrager na een eerste fase-beschikking meer zekerheid heeft dat zijn aanvraag voor het gehele project kans van slagen heeft. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria van de eerste fase. Indien echter niet binnen 3 jaar nadat een eerste fase-beschikking is genomen, een aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend, komt de eerste fase-beschikking te vervallen. Beide beschikkingen treden tezamen in werking.

Naast de hiervoor genoemde keuze tussen het indienen van een aanvraag ten behoeve van één project of verschillende deelprojecten en de keuze tussen één aanvraag of een gefaseerde aanvraag, zitten nog vele andere juridische haken en ogen aan de WABO, bijvoorbeeld in het kader van het overgangsrecht. Deze perikelen zullen echter in het ander nummer worden besproken.