De peildatum voor de omvang en samenstelling van een te verdelen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap

maandag, 12 januari 2015

In deze zaak speelt in cassatie de vraag of de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat voor bepaalde goederen als peildatum voor de samenstelling en omvang van een huwelijksgemeenschap niet is aan te houden de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. 

Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen, onder meer voor zover daarbij de echtscheiding was uitgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling trekt de vrouw dit verzoek in, waarna de echtscheidingsbeschikking op 15 juni 2011 wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voorts verschillen partijen in hoger beroep van mening over de verdeling van de aandelen en opties Philips die behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank overwoog in haar beschikking van 6 juli 2011 namelijk dat de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de gemeenschap wat deze aandelen en opties betreft, moest worden gesteld op 23 april 2010. De rechtbank bepaalde zulks, omdat de aandelen en opties zouden worden gesplitst naar soort en aantal. Door een dergelijke verdeling zou de vrouw, volgens de rechtbank, geen nadeel ondervinden.

De vrouw stelt bij het Hof Arnhem hoger beroep in tegen voormelde beschikking van de Rechtbank Utrecht. In hoger beroep betoogt de vrouw dat niet 23 april 2010, maar juist 15 juni 2011 (de datum van de echtscheiding) dient te gelden als peildatum voor de verdeling van de aandelen en opties Philips. Het hof verwerpt dit betoog van de vrouw en stelt op grond van de volgende motivering de peildatum vast op 1 februari 2011:

“4.5 Het hof stelt voorop dat het tijdstip van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding peildatum is voor de samenstelling en omvang van tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen en schulden, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Het hof oordeelt dat in dit geval de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat niet het tijdstip van ontbinding van het huwelijk (15 juli 2011), maar 1 februari 2011 als peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap moet gelden, althans wat aandelen en opties Philips betreft, en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat de vrouw in eerste aanleg de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek heeft verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen en dat zij vervolgens van de echtscheidingsbeschikking hoger beroep heeft ingesteld in de wetenschap dat zij daarin niet-ontvankelijk zou zijn. Zij heeft naar het oordeel van het hof de echtscheiding onnodig vertraagd. Indien zij niet tegen beter weten in hoger beroep zou hebben ingesteld van de echtscheidingsbeschikking, had deze uiterlijk op 6 januari 2011 ingeschreven kunnen zijn in de registers van de burgerlijke stand in plaats van (pas) op 15 juni 2011. Het hof acht het onredelijk dat de vrouw van deze door haar toedoen ontstane onnodige vertraging profiteert (*1) doordat de aandelen en opties Philips die na 1 februari 2011 in de gemeenschap zijn gevallen in de verdeling worden betrokken”.

BANNING heeft namens de vrouw van voornoemde rechtsoverweging van het hof cassatieberoep ingesteld. Ondanks de conclusie van de Advocaat-Generaal om het cassatieberoep van de vrouw te verwerpen, achtte de Hoge Raad de namens de vrouw ingediende klacht gegrond. De Hoge Raad sloot zich volledig aan bij het namens de vrouw in cassatie gevoerde betoog. Dat hield in dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting was uitgegaan door te oordelen dat niet het tijdstip van ontbinding van het huwelijk, maar 1 februari 2011 had te gelden als peildatum voor het bepalen van de samenstelling en de omvang van de aandelen en opties Philips in de huwelijksgoederengemeenschap. Een huwelijksgoederengemeenschap duurt immers voort totdat zij wordt ontbonden op een van de in art. 1:99 (oud) BW vermelde gronden. Het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap is in geval van echtscheiding het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap niet van voornoemd tijdstip worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft aldus ten onrechte geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de aandelen en opties Philips die de man na 1 februari 2011 heeft verkregen, niet in de gemeenschap vallen. Er is dan ook namens de vrouw succesvol cassatieberoep ingesteld. De bestreden beschikking van het hof is niet in stand gebleven en de zaak is verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch.

Overigens had het hof op basis van een andere grondslag eenzelfde resultaat kunnen bereiken. Zo had het hof bijvoorbeeld de aandelen aan de man kunnen toedelen, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw. De beginselen van redelijkheid en billijkheid kunnen immers in zeer uitzonderlijke omstandigheden met zich meebrengen dat van een verdeling bij helfte wordt afgeweken. Deze zaak lijkt mij daar echter onvoldoende aanknopingspunten voor te bieden.

Het Hof ‘s-Hertogenbosch heeft zich uiteindelijk niet inhoudelijk over de zaak hoeven te buigen, omdat partijen de zaak met elkaar hebben geregeld.

Vindplaats: HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050

(http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2013:2050)

 

(*1) De vrouw is in de appelprocedure over de hoogte van de partneralimentatie overigens alsnog “gestraft” voor het opschorten van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Zo heeft het hof de duur van de alimentatieverplichting verkort met de periode gedurende welke de inschrijving van de echtscheiding is belemmerd. 

Auteur