De omvang van de loonstopzetting bij een zieke werknemer die weigert passende arbeid te verrichten: De Hoge Raad geeft uitsluitsel

dinsdag, 30 september 2014

In de nieuwsbrief van augustus 2013 hebben wij u geïnformeerd over een tweetal actuele uitspraken van twee verschillende Gerechtshoven die betrekking hebben op de omvang van de loonstopzetting indien een werknemer weigert passende arbeid te verrichten. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hanteerde in zijn arrest een hardere lijn en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een wat terughoudende visie: alleen een volledige loonstop bij weigering om passende arbeid te verrichten indien er sprake is van “bijzondere omstandigheden”.

Niet lang na deze arresten diende de kantonrechter te Utrecht ook een oordeel te geven over de vraag of een werknemer zijn volledige loonaanspraak kon verliezen nadat hij had geweigerd passende arbeid te verrichten. 

De casus was als volgt.
De zieke werknemer kon naar het oordeel van de bedrijfsarts voor halve dagen worden ingezet op aangepast werk. Ten aanzien van de verdere re-integratie had de bedrijfsarts geadviseerd dat de werknemer volgens een opbouwschema de uren verder kon uitbreiden waarbij ook weer taken in het eigen werk konden worden opgepakt. Na zes weken zou dit leiden tot een volledige werkhervatting in het eigen werk.  De werknemer weigerde het werk te hervatten voor halve dagen in aangepast werk. Daarop heeft de werkgever het loon volledig stopgezet. 

Omdat de uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch en Hof Arnhem-Leeuwarden afweken van een eerdere uitspraak van Hof Amsterdam (uit 2005), gaat de kantonrechter Utrecht een zogeheten prejudiciële beslissing vragen aan de Hoge Raad. Dit is een rechtsvraag aan het hoogste rechtscollege over de uitleg van de rechtsregel over dit thema: verliest een werknemer zijn volledige loonaanspraak bij een loonstopzetting of behoudt hij het loon over het gedeelte dat hij arbeidsongeschikt is?

Met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis over deze wetgeving, overweegt de Hoge Raad dat weinig twijfel bestaat over de bedoeling van de wetgever om een weigering van de werknemer om passende arbeid te verrichten, te sanctioneren met een algeheel verval van de loondoorbetalingsplicht, daarom ook voor het deel van de werktijd waarvoor de werknemer nog arbeidsongeschikt is. De Hoge Raad vervolgt met de overweging dat wordt onderkend dat er gevallen denkbaar zijn waarin een volledige loonstopzetting onredelijk zou zijn, maar oordeelt dat tegen eventueel misbruik van de sanctieregeling van de volledige loonstopzetting, de werknemer voldoende wordt beschermd door de eisen van redelijkheid en billijkheid. In zo’n geval zal de werkgever de loonsanctie niet kunnen toepassen als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 

De Hoge Raad heeft hiermee een einde gemaakt aan het wisselend beeld in de rechtspraak: indien een werknemer weigert passende arbeid te verrichten, komt zijn aanspraak op loon volledig te vervallen, dus ook over het deel van de werktijd waarvoor de werknemer arbeidsongeschikt is. De werkgever kan aldus het loon in dat geval volledig stopzetten.