De Laurentius-saga

vrijdag, 26 april 2013

Op 19 maart jl. heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in hoger beroep een uitspraak gewezen over het ontslag op staande voet van de (niet statutair) financieel directeur van Laurentius (de woningcorporatie te Breda die onder verscherpt toezicht staat).

Zoals bekend, is in 2012 een omvangrijk fraudeonderzoek gestart naar de gang van zaken binnen Laurentius in welk verband de statutair directeur medio 2012 is ontslagen. Deze zaak betreft de niet statutair financieel directeur die in oktober 2012 op staande voet is ontslagen vanwege – ondermeer – onbehoorlijk gedrag naar medewerkers waardoor het fraudeonderzoek zou zijn gefrustreerd. De beschuldigingen aan het adres van de directeur worden aan hem per e-mail meegedeeld op de dag waarvan Laurentius weet dat de directeur op Bali is wegens vakantie (19 oktober 2012). De directeur krijgt tot 23 oktober gelegenheid om te reageren. De directeur laat direct weten onmiddellijk terug te keren naar Nederland om zijn reactie in persoon te geven. Op 23 oktober weet Laurentius dat de directeur onderweg is en de volgende dag zal arriveren. Op het einde van de 23e oktober wordt de directeur op staande voet ontslagen zonder te zijn gehoord. De directeur roept de nietigheid van het ontslag in en vordert loondoorbetaling. Het Hof oordeelt in deze zaak in het hoger beroep van dit kort geding.

Het Hof geeft een uitgebreide uiteenzetting van de voorwaarden voor een ontslag op staande voet, namelijk dat een dringende reden moet bestaan die onverwijld moet zijn meegedeeld. De bewijslast van de dringende reden en de onverwijlde mededeling rusten op de werkgever. Het vooraf horen van de werknemer, zo stelt het Hof, is geen geldigheidseis maar het achterwege laten van dat horen is wel voor risico van de werkgever als de werknemer de dringende reden deugdelijk betwist.

Dit ontslag was volledig gebaseerd op enkele verklaringen van medewerkers. De directeur stelde hiertegenover een zeer uitgebreide, gedetailleerde en genuanceerde verklaring. Het Hof verwijt Laurentius vervolgens dat Laurentius en het door haar ingeschakelde integriteitbureau geen enkel onderzoek heeft gedaan of de verklaring van de directeur wellicht juist zou zijn. Laurentius wordt ernstig verweten dat zij op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met een weerwoord van de directeur en dat zij hem niet de kans heeft geboden om in persoon verantwoording af te leggen, wetende dat de directeur zijn vakantie daarvoor had afgebroken en op 24 oktober zou arriveren, noemt het Hof schrijnend. Het Hof veroordeelt Laurentius uiteindelijk tot betaling van salaris en emolumenten.

Anders dan het ontslag van de statutair directeur die op grond van de statuten van de vennootschap voor een dergelijk ontslag gehoord moet worden, geldt in Nederland geen wettelijke hoorplicht voor een geldig ontslag op staande voet van andere werknemers. Deze uitspraak illustreert het grote belang van een zorgvuldig doorlopen procedure waar het horen van de werknemer in de meeste gevallen deel uitmaakt. Al te snel ‘jumping to conclusions’ kan de werkgever duur komen te staan.

Auteur