Publicaties

De klachtplicht voor ondernemers

Home » Publicaties » De klachtplicht voor ondernemers

1. Inleiding

Een schuldeiser moet controleren of een door de schuldenaar geleverde prestatie beantwoordt aan de overeenkomst. Meent de schuldeiser dat prestatie een gebrek vertoont, dan moet hij binnen bekwame tijd protesteren bij de schuldenaar. Dit is de zogenaamde klachtplicht (art. 6:89 BW). De algemene klachtplicht geldt voor alle prestaties, zoals de bouw van een kantoorpand, het verrichten van onderhoud of het geven van advies. De wet bevat ook een specifieke klachtplicht ten aanzien van koop (art. 7:23 BW).

De ratio van de klachtplicht is dat een schuldenaar er enerzijds op moet kunnen vertrouwen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de door de schuldenaar geleverde prestatie aan de overeenkomst beantwoordt. Anderzijds moet de schuldenaar worden beschermd tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten als de prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt.

De klachtplicht heeft alleen betrekking op de situatie dat de schuldenaar zijn verplichting niet correct nakomt. Er moet derhalve sprake zijn van een gebrek in de prestatie. Bijvoorbeeld, de schuldenaar levert acht in plaats van tien kubieke meter zand of levert een machine zonder een eigenschap die partijen waren overeengekomen. Als de schuldenaar in het geheel niet presteert, dan hoeft de schuldeiser ook niet te klagen.

De klachtplicht bestaat uit een onderzoeksplicht en een mededelingsplicht. Voor beide plichten geldt een bepaalde termijn. Die verschilt van geval tot geval.

De schuldeiser is gehouden om met een bepaalde voortvarendheid te onderzoeken of de prestatie of het gekochte beantwoordt aan de overeenkomst. Of de schuldeiser voortvarend genoeg heeft gehandeld, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en de waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop het gebrek is ontdekt, de deskundigheid van de schuldeiser, de onderlinge verhouding tussen partijen, de aard van het gekochte, de mededelingen van de schuldenaar en de ingewikkeldheid van het onderzoek.

Vervolgens is de schuldeiser in het kader van de mededelingsplicht gehouden om binnen bekwame tijd te klagen over het gebrek. Of tijdig is geklaagd, wordt beoordeeld aan de hand van een afweging van de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar. Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst van het gebrek. Lijdt de schuldenaar geen nadeel door de (te) lange klachttermijn, dan zal de schuldeiser aan de klachtplicht hebben voldaan.

Hoewel de schuldeiser vormvrij kan klagen, moet hij wel kunnen aantonen dat hij tijdig heeft geklaagd. De schuldeiser doet er dus goed aan om schriftelijk te klagen. Bij grote belangen verdient het aanbeveling om de brief aangetekend of bij deurwaardersexploot te verzenden. In de klacht moet de schuldeiser  duidelijk maken wat de aard en de omvang van het gebrek is.

Om te voorkomen dat discussie ontstaat over de lengte van de klachttermijn, zullen professionele partijen vaak contractueel afwijken van de wettelijke regeling. Zo kunnen professionele partijen bijvoorbeeld afspreken dat het gekochte direct na aflevering moet worden onderzocht en dat in geval van een gebrek vervolgens binnen zeven dagen schriftelijk geklaagd dient te worden.

Klaagt de schuldeiser niet of niet tijdig, dan vervallen al zijn rechten die gebaseerd op de stelling dat de prestatie of het gekochte niet beantwoordt aan de overeenkomst. Dit houdt in dat de schuldeiser onder andere geen recht meer heeft op nakoming (bijvoorbeeld in de vorm van herstel van het gebrek) of schadevergoeding. Ter illustratie kan dienen de volgende uitspraak van het Bossche hof.

2. Een recente uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch (20 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1174)

2.1 De feiten

Handelsonderneming heeft van Gubema het volledig geplaatste aandelenkapitaal in Enki gekocht. De aandelen zijn geleverd op 22 oktober 2004. Voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst zijn op verzoek van Handelsonderneming door Accountants onderzocht de ontwerpcijfers over de periode 1 januari tot en met 30 juni 2004.

Handelsonderneming heeft met ingang van 23 oktober 2004 de leiding over de dagelijkse gang van zaken binnen Enki op zich genomen. Na enige tijd heeft Handelsonderneming geconstateerd dat Enki vóór 30 juni 2004 stelselmatig gebruik heeft gemaakt van illegale (Poolse) werknemers die werden betaald op een wijze die niet in de administratie werd verantwoord. Daarnaast waren er ook Nederlandse werknemers die zwart werden betaald. Ook ontdekte Handelsonderneming dat door Enki de regels met betrekking tot het slachten werden overtreden.

Bij dagvaarding van 3 mei 2005 is Handelsonderneming bij de rechtbank een procedure gestart tegen Gubema waarin Handelsonderneming onder meer de vernietiging van de koopovereenkomst heeft gevorderd. Aan die vordering had Handelsonderneming, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij de overeenkomst met Gubema was aangegaan op grond van een onjuiste voorstelling omtrent de financiële cijfers, omdat Handelsonderneming er niet van op de hoogte was dat een deel van de omzet werd gerealiseerd met werknemers die zwart werden betaald, waardoor de kosten binnen de onderneming hoger waren dan uit de administratie bleek.

Bij vonnis van 26 april 2006 heeft de rechtbank overwogen dat de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst tussen Gubema en Handelsonderneming wegens bedrog aan de zijde van Gubema toewijsbaar is.

In het daarop volgende hoger beroep bij het Bossche hof heeft Gubema een beroep gedaan op schending door Handelsonderneming van de klachtplicht (als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW). Het hof heeft bij uitspraken van 8 september 2009 en 19 januari 2010 vastgesteld dat, uitgaande van de kennis waarover Handelsonderneming op 22 oktober 2004 beschikte, het van 22 oktober 2004 tot 3 mei 2005 heeft geduurd alvorens Handelsonderneming haar klacht dat (haar niet was verteld dat) een deel van de werknemers zwart werd betaald aan Gubema kenbaar heeft gemaakt. Het hof oordeelde daarom dat het beroep van Gubema op artikel 7:23 lid 1 BW slaagt. Daarop zijn alle vorderingen van Handelsonderneming gestrand.

Bij mail van 8 december 2010 heeft Handelsonderneming Accountants aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade bij de aankoop van Enki.

Handelsonderneming heeft Accountants gedagvaard en gevorderd een verklaring voor recht dat Accountants aansprakelijk is voor de door Handelsonderneming geleden schade als gevolg van het onzorgvuldige onderzoek van Accountants naar de cijfers van Enki. Accountants hebben zich beroepen op schending door Handelsonderneming van de klachtplicht van artikel 6:89 BW.

De rechtbank heeft dat verweer gegrond geoordeeld en de vorderingen van Handelsonderneming afgewezen. Handelsonderneming is bij het Bossche hof in hoger beroep gegaan.

2.2 Het oordeel van het hof

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat Handelsonderneming te laat heeft geklaagd bij Accountants, mede gezien de aan de klachtplicht ten grondslag liggende ratio (namelijk dat de schuldenaar wordt beschermd doordat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt).

Het begintijdstip van de klachttermijn ging lopen toen Handelsonderneming het gestelde gebrek in de prestatie van Accountants heeft ontdekt of behoorde te ontdekken.

Bij de beoordeling of tijdig is geklaagd, is volgens het hof van bijzonder belang of Accountants nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd. Dit nadeel kan gelegen zijn in de benadeling van haar bewijspositie, in een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken of in het gebrek aan duidelijkheid over haar rechtspositie. Verder geldt dat als de schuldenaar niet in zijn belangen is geschaad door het late tijdstip waarop het protest is gedaan, er niet spoedig reden zal zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.

Het voorval (ontdekking onregelmatigheden betalen van werknemers) zelf was in 2004, het getuigenverhoor daarover eind 2005, de aansprakelijkheidsstelling pas in 2010 en de uiteindelijke start van de onderhavige procedure vond plaats in 2014. Voor een accountant is de wettelijke bewaartermijn van stukken zeven jaar. Het hof deelt echter de stelling van Accountants dat het met het verstrijken van de tijd wel steeds moeilijker wordt om bewijs te vergaren. Daarnaast heeft Accountants gesteld dat zij in de procedure tussen Gubema en Handelsonderneming had kunnen tussenkomen om haar eigen belangen te dienen (als er op korte termijn was geklaagd en zij aldus had geweten dat ook aan Accountants een verwijt werd gemaakt), en dat dan de procedure mogelijk heel anders was afgelopen. Deze mogelijkheid is haar door het late tijdstip van de klacht ontnomen. Naar het oordeel van het hof heeft Accountants hiermee voldoende aangetoond dat zij nadeel heeft geleden door het late tijdstip van de klacht.

Dat bijna vijf jaar – nagenoeg de wettelijke verjaringstermijn – een overschrijding van de bekwame termijn oplevert, spreekt volgens het hof welhaast vanzelf, temeer nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit zou volgen dat van Handelsonderneming niet kon worden gevergd dat zij eerder dan na bijna vijf jaar een klacht indiende, terwijl zij wel al op de hoogte was van de onjuiste inlichtingen van Accountants. Het hof is van oordeel dat Accountants nadeel hebben geleden en van voldoende andere relevante omstandigheden is niet gebleken. Naarmate er langer stilgezeten wordt, zal er daarvoor een betere reden moeten zijn, om te kunnen oordelen dat de klachttermijn nog niet verstreken is. Hier is volgens het hof geen enkele valide reden gegeven.

3. Advies

Zoals uit het voorgaande blijkt, dient de schuldeiser, die te maken krijgt met een geleverde prestatie die niet aan de overeenkomst beantwoord, tijdig te klagen bij zijn wederpartij. Doet hij dit niet dan vervalt iedere rechtsvordering. Klaagt de schuldeiser wel tijdig, dan is het van belang dat de schuldeiser tijdig een rechtsvordering instelt.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere ondernemingsrechtelijke vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of andere leden van de sectie ondernemingsrecht.