De bewijslast in artikel 1:160 BW procedures

maandag, 14 maart 2011

Zoals collega Van den Anker al eerder (Samenleven en alimentatie ontvangen? EB 2009, 32) schreef, is de alimentatieplicht niet oneindig. Deze kan onder meer eindigen op grond van artikel 1:160 BW. Dit wetsartikel bepaalt dat de alimentatieplicht van rechtswege eindigt op het moment dat de alimentatiegerechtigde gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Er moet voldaan zijn aan zware eisen wil een beroep op dit artikel slagen. Vaak is sprake van bewijsnood aan de zijde van de alimentatieplichtige. Maar, zoals Van den Anker schreef, lijkt het tij enigszins te keren. Zij noemde bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 9 juli 2008 (LJN: BD9380), waarbij de bewijslast werd omgekeerd. Inmiddels is deze zaak voorgelegd aan de Hoge Raad die op 18 juni 2010 uitspraak deed. In dat kader schreef de A-G een interessante conclusie: het hof bedoelde waarschijnlijk niet de bewijslast om te keren. In deze bijdrage zal ik nader op die uitspraak en de bewijslast in artikel 1:160 BW procedures ingaan.

De casus

Wat was er ook al weer aan de hand? De man verzocht op grond van artikel 1:160 BW zijn alimentatieplicht tegenover de vrouw te beëindigen, omdat de vrouw samen zou wonen met haar vriend als waren zij gehuwd. Nadat de rechtbank het verzoek van de man in eerste instantie afwees, oordeelde het hof dat er tussen de vrouw en haar partner in ieder geval een zodanige betrokkenheid en lotsverbondenheid bestond, dat aan het vereiste ‘duurzame en affectieve relatie’ was voldaan. De vrouw bevestigde dat ook. Zij bestreed bovendien niet dat haar partner op haar woonadres stond ingeschreven. Volgens de vrouw gebruikte haar partner dit adres echter uitsluitend als postadres. De partner verbleef namelijk veel in het buitenland en bij een vriendin in Amsterdam. Het hof vond dat argument onvoldoende om aan te nemen dat er sprake was van een LAT-relatie. Mede gelet op de wijze waarop de vrouw haar nieuwe gezin, inclusief de vriend en zijn kinderen aan de buitenwereld presenteerde, onder meer in een publicatie in een maandblad en op haar website. De man legde in de procedure nog een factuur over van een gezamenlijke reis van de vrouw en haar partner naar Disneyland Parijs en verwees naar het webdagboek van de vrouw. Daarin stond onder andere vermeld dat zij en haar partner gezamenlijk onderzoek naar zorgverzekeringpolissen en tandartsen deden. Het een en ander was voor het hof aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast van de stelling dat er over en weer geen financiële verwevenheid tussen de vrouw en haar partner bestond, bij de vrouw te leggen. Dat de relatie tussen de vrouw en haar partner sinds december 2007 was verbroken, deed daaraan niet af. Als eenmaal sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, herleeft de alimentatieplicht niet.

Uitspraak Hoge Raad

Bij uitspraak van 18 juni 2010, LJN BM1076 en RFR 2010, 97 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de vrouw in de zaak op grond van artikel 81 RO verworpen. Interessant is echter de conclusie die de A-G in dat verband schreef. De A-G meent dat de overweging van het hof waarbij het de bewijslast met betrekking tot de financiële verwevenheid bij de vrouw legt zo moet worden begrepen dat het hof, gelet op de inhoud van de stukken en op het ter terechtzitting naar voren gebrachte, voorshands bewezen achtte dat was voldaan aan alle cumulatieve vereisten behoudens tegenbewijs.

Dit is interessant, omdat het nogal verschil maakt of sprake is van een omkering van de bewijslast op grond van artikel 150 Rv of dat sprake is van het voorshands aannemelijk achten van bepaalde stellingen. Ik zal dit hierna toelichten.

Klik hier om het gehele artikel te lezen.