De beoordeling van milieueffecten wordt strenger getoetst door Raad van State

dinsdag, 5 oktober 2010

Het geschil dat ten grondslag lag in de uitspraak van de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2010 had betrekking op de vraag in hoeverre een bestuursorgaan onderzoek moet (laten) doen naar de milieueffecten van een bepaalde activiteit. Met het verlenen van een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer heeft het college van B&W van Rucphen een uitbreiding mogelijk gemaakt van een varkenshouderij van 1.641 vleesvarkens en 240 opfokzeugen.

Wat betreft de omvang van het project staat vast dat de uitbreiding ruim onder de drempelwaarde genoemd in categorie 14 van de onderdeel D (2.200 of meer plaatsen voor mestvarkens en 350 voor opfokzeugen) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. blijft. In beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelden een aantal omwonenden desalniettemin dat ook indien het initiatief ruim onder de drempelwaarde bliijft, in dat geval (minimaal) een m.e.r.-beoordeling had moeten worden gedaan. Wat het aantal te houden varkens betreft was er echter volgens het college van B&W geen aanleiding voor het opstellen van een MER, dan wel het uitvoeren van een beoordeling of een MER opgesteld diende te worden.

Allereerst stelt de Afdeling vast dat de uitbreiding van het aantal varkens, te weten 1.641 vleesvarkens en 240 opfokzeugen, onder de D-drempelwaarde van 2.200 plaatsen voor mestvarkens en 350 voor zeugen blijft. Desondanks gaat de Afdeling in op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 oktober 2009 waarin het Hof Nederland op de vingers heeft getikt voor het hanteren van drempelwaarden en/of selectiecriteria als harde en absolute grenswaarden. Als gevolg van het arrest van het Hof diende het College van B&W derhalve te kijken naar alle factoren in bijlage III van de M.e.r.-Richtlijn die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een MER, hoewel de drempelwaarden zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Enkele factoren die in bijlage III worden genoemd zijn de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor onder meer beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden. Omdat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college van B&W naar deze of naar andere factoren van bijlage III heeft gekeken, die in dit geval mogelijk aanleiding zouden kunnen geven tot het opstellen van een MER terwijl appellanten hebben gewezen op in bijlage III genoemde omstandigheden, zoals de cumulatie van stank, de omvang van de uitbreiding en de ligging in de nabijheid van een natuurgebied, die wellicht aanleiding kunnen geven tot het moeten opstellen van een MER, oordeelde de Afdeling dat het besluit in strijd met artikel 3:46 Awb niet deugdelijk was gemotiveerd. Het bestreden besluit kwam dan ook in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

Deze uitspraak is de derde die na het arrest van het Europese Hof van 15 oktober 2009 door de Afdeling is gedaan. In de twee voorafgaande uitspraken was de Afdeling nog enigszins coulant jegens de bestuursorganen (Uden en Haarlemmermeer), doch in de onderhavige zaak is van enige coulance geen sprake. Zo is een beoordeling van relevante criteria onder de drempelwaarden van de D-lijst volgens de Afdeling te allen tijde noodzakelijk zelfs als men met de uitbreiding van een veehouderij ruim onder de drempelwaarden blijft (1.641 vleesvarkens in plaats van 2.200). Ter vergelijking, in de Uden-kwestie was sprake was van 50 hennen onder de drempelwaarde van 44.950 waardoor er logischerwijs eerder aanleiding bestaat voor een m.e.r.-beoordeling. Ten tweede toetst de Afdeling hier zelf aan Bijlage III, dus zonder dat een uitgebreid onderzoek van appellanten werd geëist. Dit betekent dat omwonenden niet specifiek hoeven te verwijzen naar deze bijlage en dus kunnen volstaan met de stelling dat een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden.

Het ziet er dus naar uit dat zolang het Besluit m.e.r. nog niet is aangepast om de Nederlandse regelgeving in overeenstemming te brengen met de Europese M.e.r.-richtlijn zowel overheden als initiatiefnemers niet alleen rekening moeten houden met de omvang van het project, maar ook met andere factoren zoals cumulatie met andere projecten, het opnamevermogen van het natuurlijk milieu en bijvoorbeeld de ligging van een natuurgebied in de directe omgeving. Werk aan de winkel dus.