Commissie komt met regels over schadevergoeding voor kartelslachtoffers

donderdag, 20 juni 2013

Civielrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht staat al jarenlang hoog op de Europese agenda. Regelgeving heeft evenwel lang op zich laten wachten. Op 11 juni 2013 heeft de Commissie een voorstel gedaan voor een richtlijn inzake regels voor vorderingen tot schadevergoeding krachtens het nationale recht voor inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (hierna: ‘het Voorstel’). De belangrijkste bepalingen bespreken wij in deze bijdrage kort. 

Het primaat van handhaving ligt bij de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten. De privaatrechtelijke weg moet de publiekrechtelijke weg aanvullen. De mogelijkheid van een slachtoffer om schade te vorderen mag er dan ook niet toe leiden dat een mogelijk of lopend onderzoek wordt ondermijnd. Enerzijds beoogt het Voorstel daarom de wisselwerking tussen de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving van het mededingsrecht te verbeteren. Anderzijds moet het Voorstel ervoor zorgen dat slachtoffers van mededingingsrechtelijke inbereuken hun schade ook daadwerkelijk vergoed kunnen krijgen.

Het Voorstel poogt daarom een aantal obstakels uit de weg te ruimen die zorgen dat civielrechtelijke acties relatief schaars (en zelden succesvol) zijn.

De belangrijkste bepalingen

Als uitgangspunt neemt het Voorstel dat een slachtoffer zijn gehele schade vergoed moet krijgen. Dit is conform de rechtspraak van het Hof van Jusitie EU uit de arresten Courage (2001) en Manfredi(2006). Het recht op volledige vergoeding betekent dat het slachtoffer in de positie gebracht moet worden alsof de mededingingsrechtelijke inbreuk nooit heeft plaatsgevonden. Daarom kan het slachtoffer ook gederfde winst en rente vorderen.

De Commissie stelt voor om nationale rechters de bevoegdheid te geven om ondernemingen te bevelen informatie vrij te geven. Wel moet worden voldaan aan bepaalde vereisten. Onder de informatie valt ook het grootste deel van het karteldossier van de nationale mededingingsautoriteiten. Dat was door het Hof van Justitie EU reeds uitgemaakt in Pfeiderer (2011) en – zeer recentelijk – in Donau Chemie (6 juni 2013).

Ten derde zou volgens de Commissie een onherroepelijke beslissing van een nationale mededingingsautoriteit of een nationale rechter over een mededingingsrechtelijke inbreuk automatisch als bewijs van die inbreuk in een schadevergoedingsprocedure moeten gaan gelden.

De Commissie wil tot slot dat alle ondernemingen die een inbreuk op het mededingingsrecht hebben gepleegd, hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door het slachtoffer geleden schade. Dat brengt mee dat een slachtoffer bijvoorbeeld alle kartellisten kan aanspreken en zich niet hoeft te beperken tot zijn contractspartij. De huidige redactie van de bepaling in het Voorstel verzet zich ons inziens niet tegen de uitbreiding van de hoofdelijke aansprakelijkheid tot groepsmaatschappijen van de kartellist.

Conclusie

Het Voorstel van de Commissie wordt nu door het Europees Parlement en de Raad van Ministers besproken. Nadat het Voorstel is aangenomen krijgen de lidstaten twee jaar om de bepalingen (voor zover nodig) in hun wetgeving te implementeren. Het lijkt nog wel een ‘ver-van-uw-bed-show’, maar het tegendeel is waar. Onder de bestaande wetgeving is het ook al mogelijk schade te vorderen van ondernemingen die inbreuk hebben gemaakt op mededingingsrecht. Het Voorstel maakt een dergelijke actie eenvoudiger.