Centrale opslag van vingerafdrukken maakt inbreuk op privacy

dinsdag, 25 maart 2014

Het hof Den Haag heeft bij arrest van 18 februari 2014 geoordeeld dat de centrale opslag van vingerafdrukken als onderdeel van de nieuwe Paspoortwet niet is toegestaan. 

In de Europese Verordening nr. 444/2009 werd bepaald dat een paspoort een chip met een gezichtsopname en twee vingerafdrukken moet bevatten. Nederland ging echter verder en heeft in haar Paspoortuitvoeringsregeling vastgelegd dat vier vingerafdrukken moeten worden gemaakt en opgeslagen, om “look-a-like” fraude (het reizen op een paspoort van iemand op wie je lijkt) met paspoorten te voorkomen. De vingerafdrukken zouden centraal worden opgeslagen met als doel deze te kunnen matchen met vingerafdrukken die worden verzameld in een opsporingsproces. Dit bleek foutgevoelig.

Privacy First, een organisatie die opkomt voor privacybelangen, is samen met 19 burgers in 2011 een procedure gestart tegen de Nederlandse Staat. Privacy First verdedigt dat het opslaan van vingerafdrukken in een centrale database onrechtmatig en in strijd is met het recht op privacy. Daarnaast verzet zij zich tegen de centrale opslag van biometrische gegevens, de manier waarop de gegevens worden opgeslagen, alsmede het verstrekkingenregime dat geldt ten aanzien van deze gegevens.

De rechtbank verklaart Privacy First niet-ontvankelijk omdat zij geen eigen belang heeft bij de zaak. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan een inhoudelijk oordeel met betrekking tot de opslag van vingerafdrukken conform de Nieuwe Paspoortwet. Naar aanleiding van dit geschil is in 2011 wel de Nieuwe Paspoortwet aangepast en is de opslag van vingerafdrukken in een centrale database niet voortgezet.

In hoger beroep heeft het hof in Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en heeft geoordeeld dat Privacy First geen belang meer heeft bij haar vorderingen, omdat in 2011de wet reeds is aangepast. Het hof heeft daarom de vorderingen afgewezen. Wel heeft het hof onderzocht of het vonnis kon blijven bestaan. In het eindarrest oordeelde het hof dat de in de Nieuwe Paspoortwet voorziene opslag van vingerafdrukken in een centrale databank inbreuk maakt op het recht op privacy (artikel 8 EVRM). Uitgangspunt is dat een dergelijke inbreuk alleen gerechtvaardigd is als deze een legitiem doel nastreeft, voorzien is bij wet, een dringend maatschappelijk belang dient, proportioneel is en tevens effectief bijdraagt aan de verwezenlijking van het (legitieme) doel en er geen minder ingrijpende middelen bestaan om dat te bereiken, aldus het hof.

Bij zijn beoordeling heeft het hof meegewogen dat de overheid inmiddels ook zelf tot het inzicht is gekomen dat het gebruik van de vingerafdrukken voor doeleinden van verificatie en identiteitsvaststelling niet mogelijk is zonder een hoog percentage “missers”. Dit kan volgens het hof slechts betekenen dat de opslag van vingerafdrukken in een centraal register niet geschikt is voor het daarmee aanvankelijk beoogde doel. Het hof concludeert vervolgens dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die gevormd wordt door de centrale opslag van vingerafdrukken, niet gerechtvaardigd is en vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank.

Overigens heeft het Europese Hof van Justitie op 17 oktober 2013 al uitspraak gedaan over de opslag van vingerafdrukken. Volgens het Europese Hof van Justitie mogen afgenomen vingerafdrukken alleen bewaard worden in het paspoort zelf. Er is geen wettelijke basis voor de opslag van vingerafdrukken in een database. Bovendien mogen de afgegeven vingerafdrukken niet worden gebruikt voor strafrechtelijke onderzoeken, aldus het Europese Hof van Justitie.

Het arrest van het hof Den Haag heeft door de eerdere aanpassing van de wet weliswaar geen praktische uitwerking meer, maar het geeft wel een duidelijk signaal aan de overheid om ook in de toekomst niet over te gaan tot een centrale opslag van vingerafdrukken. Deze uitspraak verandert echter niet de opslag van vingerafdrukken in de chip van het paspoort, want dat is een vereiste dat voortvloeit uit de eerder genoemde Europese verordening.

 

Mary Groenen en Monique Hennekens