Bouwen onder de Crisis- en herstelwet

maandag, 28 juni 2010

De Crisis- en herstelwet

Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (“Chw”) in werking getreden, niet lang nadat deze door de Eerste Kamer werd aangenomen. De wet strekt ertoe de economische crisis te bestrijden door de versnelde uitvoering van bouw- en infrastructuurprojecten en een vereenvoudiging van de rechtsbescherming met betrekking tot de op deze projecten betrekking hebbende besluitvorming.

De Chw regelt verschillende zaken, die niet noodzakelijk veel verband met elkaar hebben, anders dan dat een regeling ervan het doel heeft bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis en de bevordering van het herstel. De Chw wordt daarom ook wel aangeduid als een ‘grabbelton’.

Men kan zich afvragen of de Chw daadwerkelijk gericht is op enkel het bestrijden van de economische crisis. De Chw kent naast de introductie van tijdelijke maatregelen immers ook een aantal belangrijke permanente maatregelen, zoals de aanpassing van de Onteigeningswet en de Wet Geluidhinder.  

De tijdelijke maatregelen van de Chw, waarvan de expiratie is voorzien op 1 januari 2014, zijn ondergebracht in de eerste twee hoofdstukken van deze wet. Het betreffen:

  • procedurele maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten, te vinden in bijlage I en bijlage II van de Chw.
  • bijzondere voorzieningen, zoals de aanwijzing van ontwikkelingsgebieden en het invoering van het projectuitvoeringsbesluit.

Ten aanzien van besluiten op grond van de Chw geldt verlichting van het Awb-regime, teneinde de besluitvorming en rechtsbescherming te vereenvoudigen en te versnellen. Zo kunnen decentrale overheden geen beroep meer instellen tegen besluiten van andere overheden, maar worden overheden geacht geschillen op te lossen in minnelijk overleg. Daarnaast kunnen belanghebbenden enkel nog een beroep doen op de rechtsregels die bedoeld zijn om de belangen van hen te beschermen, worden beroepen versneld behandeld en dient de bestuursrechter binnen 6 maanden uitspraak te doen. Voorts kunnen bezwaren tegen besluiten eenvoudiger worden gepasseerd en besluiten gemakkelijker worden hersteld.

Projectuitvoeringsbesluit

Het belangrijkste onderdeel voor de ruimtelijke-ordeningspraktijk is de tijdelijke regeling van bouwprojecten met meer dan 12 woningen en minder dan 1.500 woningen (ingeval van één ontsluitingsweg) en 2.000 woningen (ingeval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling), alsmede voor nader aan te wijzen projecten van maatschappelijke betekenis, zoals zorginstellingen en (ander) maatschappelijk vastgoed.

Voor deze grote(re) projecten introduceert de Chw een projectuitvoeringsbesluit, hetgeen strekt ter vervanging van de vergunningen, ontheffingen en andere besluiten die normaal gesproken voor een dergelijk project zijn vereist (men denke aan bouwvergunningen, kapvergunningen, aanlegvergunningen), met uitzondering van een aantal toestemmingen die nodig zijn op grond van de Flora- en Faunawet, de Monumentenwet en de Waterwet. Na de verlening van een projectuitvoeringsbesluit kan direct worden overgegaan tot de uitvoering van het werk.

De gemeenteraad is aangewezen als bevoegd gezag voor het nemen van een projectuitvoeringsbesluit. Ook kunnen Provinciale Staten een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, mits er sprake is van provinciale belangen. Het bestuursorgaan dat een projectuitvoeringsbesluit neemt, treedt in de plaats van de bestuursorganen die anders bevoegd zouden zijn. Neemt de gemeenteraad een projectuitvoeringsbesluit, dan is de gemeenteraad niet alleen bevoegd in plaats van het College van B&W, maar ook ten aanzien van de eventueel vereiste provinciale besluiten.

Op grond van artikel 2.13 Chw is er specifiek voor het projectuitvoeringsbesluit voorzien in rechtsbescherming in één instantie bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verlichte Awb-regime is van toepassing, zodat binnen zes maanden op het beroep dient te worden beslist.

Nadelen projectuitvoeringsbesluit

Naast voordelen voor de bouwpraktijk, kent het projectuitvoeringsbesluit ook nadelen. Naast de toepasselijkheid van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb, lijkt de tekst van de Chw een gefaseerde vaststelling van projectuitvoeringsbesluiten uit te sluiten. Dit betekent dat de aanvraag concreet en gedetailleerd moet zijn, hetgeen niet in lijn is met de gebruikelijke praktijk van gefaseerde vergunningaanvraag- en verlening. Daarmee wordt naar mijn idee een groot beroep gedaan op projectontwikkelaars, zeker onder de huidige economische omstandigheden.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is tot tweemaal toe een amendement ingediend dat de mogelijkheid van fasering van een projectuitvoeringsbesluit mogelijk diende te maken, maar deze amendementen zijn uitdrukkelijk van de hand gewezen.

Alternatieven projectuitvoeringsbesluit

Op 1 juni 2010 maakte demissionair minister Huizinga bekend dat de Wabo per 1 oktober 2010 in werking zal treden. Op basis van de Wabo kan een omgevingsvergunning worden verkregen. De omgevingsvergunning zal 26 toestemmingen gaan vervangen die nu nodig zijn voor activiteiten die van invloed zijn op de leefomgeving, waaronder ook het projectbesluit, de bouwvergunning en de sloop- en aanlegvergunning. De omgevingsvergunning is daarmee integraler dan het projectuitvoeringsbesluit, nu er meer besluiten zullen worden samengevoegd in één vergunning.

Het grote voordeel van de omgevingsvergunning ten opzichte van het projectuitvoeringsbesluit zal met name zijn gelegen in het feit dat deze uitdrukkelijk wel in fasen kan worden aangevraagd (art. 2.5 Wabo). Hoofdstuk 1 van de Chw blijft van toepassing op woningbouwprojecten van meer dan twaalf woningen of een herstructureringsproject, hetgeen betekent dat het verlichte Awb-regime daarop van toepassing zal zijn.

Hoewel ook de Wabo er niet voor zal zorgen dat alle benodigde besluiten in één omgevingsvergunning zullen worden vervat, biedt de komst van de omgevingsvergunning een aantal grote voordelen ten opzichte van het in de Chw geregelde projectuitvoeringsbesluit.

Conclusie

De Crisis- en herstelwet is geïntroduceerd als instrument om de economische crisis te bestrijden en te werken aan duurzaamheid en economisch herstel door de versnelling en vereenvoudiging van ruimtelijke procedures met minder juridische risico’s. Zo geldt er een verlicht Awb-regime, waarbij onder meer het beroep tegen vergunningen wordt vereenvoudigd en versneld, worden er ontwikkelingsgebieden aangewezen en wordt een projectuitvoeringsbesluit geïntroduceerd. Dit laatste type besluit vervangt veel voor het betreffende project benodigde besluiten.

Een nadeel is echter dat een projectuitvoeringsbesluit niet gefaseerd kan worden aangevraagd, zodat een ontwikkelaar zijn plannen direct en concreet bij de aanvraag zal moeten indienen. Dit bezwaar wordt echter ondervangen door de komst van de Wabo per 1 oktober 2010, die een omgevingsvergunning introduceert. De omgevingsvergunning is integraler dan een projectuitvoeringsbesluit en kan ook nog eens gefaseerd worden aangevraagd, al dan niet op grond van de coördinatieregeling. Tel daarbij op dat het verlichte Awb-regime van de Chw van toepassing blijft naast een omgevingsvergunning en geconstateerd dient te worden dat het er na langdurig debat op lijkt dat eindelijk een gunstiger klimaat wordt geschapen voor ontwikkelaars van bouwprojecten. De praktijk zal het leren.