Boete ACM Zilveruienkartel houdt stand

maandag, 31 maart 2014

De ACM heeft bij besluit van 25 mei 2012 diverse ondernemingen beboet die actief zijn op het gebied van het telen en / of verwerken van zilveruien. Zij zouden in strijd hebben gehandeld met het kartelverbod door afspraken te maken met betrekking tot de productiecapaciteit, gezamenlijk bedrijfsmiddelen van stakende concurrenten op te kopen en informatie uit te wisselen over jegens afnemers te hanteren prijzen. De opgelegde boetes zijn hoog nu de ACM voor de eerste keer de in Europa behaalde omzet heeft meegenomen bij het vaststellen van de boetegrondslag. Op 20 maart 2014 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in het “Zilveruienkartel”. Hierbij heeft de rechtbank de ACM grotendeels in het gelijk gesteld.

De overtreding
De overtreding bevat drie verschillende elementen.

Quoteringsafspraken
De overtreding vindt zijn oorsprong ver voor de inwerkingtreding van de Mededingingswet in 1998. Van 1979 tot en met 1994 hebben de ondernemingen jaarlijks samen de teelt- en productiecapaciteit vastgesteld in de zogeheten Zilveruienteeltconventie (Conventie). Deze Conventie is vanaf 1979 jaarlijks gemeld bij het Ministerie van Economische Zaken. Daarnaast hebben diverse ondernemingen zich van 1998 tot eind 2003 verenigd in de Coöperatie. In dit samenwerkingsverband maakten zij quoteringsafspraken. Een onderneming kon hier echter ook aan deelnemen zonder lid te zijn van de Coöperatie. De ACM is van mening dat de ondernemingen na beëindiging van de Conventie en na ontbinding van de Coöperatie nog steeds onderling contact hadden en de quoteringsafspraken werden voortgezet.

De rechtbank volgt het betoog van de ACM en oordeelt dat de ACM terecht heeft gesteld dat een aanbodbeperking, zoals partijen onderling afspraken, over het algemeen niet tot gevolg heeft dat daarmee een gunstige stabiele prijs voor afnemers tot stand komt. De rechtbank stelt verder vast dat uit de verschillende verklaringen blijkt dat twee keer per jaar contact met elkaar werd opgenomen met de vraag wat de plannen waren met de arealen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de quoteringsafspraken na ontbinding van de Coöperatie gewoon zijn voortgezet.

Opkopen van bedrijfsmiddelen van stakende concurrenten
Daarnaast hebben de ondernemingen bedrijfsmiddelen van drie stakende concurrenten opgekocht. Door op deze wijze te handelen, hebben zij volgens de ACM ervoor gezorgd dat geen nieuwe concurrent tot de markt zou toetreden.

De rechtbank geeft aan dat de ACM niet hoeft te bewijzen dat de toetreding daadwerkelijk is verhinderd of dat de afspraken volledig gelukt zijn. Gekeken moet worden “of de gezamenlijke opkopen complementair zijn aan de andere gedragingen waarmee zij een één enkele inbreuk vormen en bij konden dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen die de karteldeelnemers beoogden.” De rechtbank concludeert vervolgens dat ACM terecht heeft gesteld dat van laatstgenoemde sprake is.

Informatie-uitwisseling prijzen
Tot slot is de ACM van mening dat de betreffende ondernemingen vanaf 2006 informatie hebben uitgewisseld over zowel de algemene prijsstelling als over de prijzen die zij jegens specifieke afnemers zouden hanteren.

De rechtbank volgt bovenstaande conclusie van ACM en oordeelt dat ACM terecht stelt dat het onderscheid tussen buitenlandse en Nederlandse afnemers hierbij irrelevant is. Het kartel heeft immers zeker effect gehad op de Nederlandse markt.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de drie afzonderlijke elementen tezamen één enkele inbreuk vormen op zowel het nationale als Europese kartelverbod. Het beperken van het aanbod en het bewerkstelligen van een hoger prijspeil heeft per definitie een mededingingsbeperkende strekking.

Hoogte van de boetes
Meest opvallend aan deze zaak is de hoogte van de boete. De boetes zijn zo hoog omdat de ACM ook de omzet heeft meegenomen die buiten Nederland is behaald. Partijen stellen dat ACM voor het eerst sinds de inwerkingtreding van de Mw de buitenlandse omzet heeft meegenomen bij het vaststellen van de boetegrondslag. Zij zijn dan ook van mening dat de ACM alleen rekening moet houden met de in Nederland gerealiseerde omzet.

De rechtbank is het niet eens met de ondernemingen. De ACM is op grond van artikel 5 van de Europese Verordening (1/2003) bevoegd om artikel 101 en 102 VWEU toe te passen. Dit heeft tot gevolg dat zij dus ook een geldboete kan opleggen op basis van de in Europa behaalde omzet. Daarnaast verwijzen de ondernemingen nog naar de Noordzeegarnalenzaak (2003-2004). In die zaak werd juist afgezien van het meenemen van de buitenlandse omzet. Partijen zien in deze zaak een precedent. De rechtbank geeft aan dat toen nog geen ervaring was opgedaan met de allocatie van zaken en samenwerking in European Competition Network-verband. De reden dat de ACM destijds alleen een boete heeft opgelegd voor het effect op het Nederlandse grondgebied moet in de context van die tijd worden geplaatst. Daarnaast moest ACM rekening houden met de positie van de Duitse autoriteit. Zij waren namelijk ook een onderzoek gestart.

Conclusie
Het is dus opletten geblazen voor ondernemingen die actief zijn in Europa. Zij zullen in de toekomst derhalve rekening dienen te houden met hogere boetes voor overtreding van het kartelverbod als ook de buiten Nederland behaalde omzet meegenomen wordt in de boeteberekening.