Bij opslag van bodembedreigende stoffen is niet altijd een vloeistofdichte voorziening vereist

maandag, 4 april 2011

Op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) dient de opslag van bodembedreigende stoffen plaats te vinden op een vloeistofdichte voorziening. In de uitspraak van 1 december jl. heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter afgeweken van de gebruikelijke regel.

Bij besluit van 9 maart 2010 had het college van GS van Zuid-Holland aan de Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard, hierna te noemen: “RAD” een milieuvergunning verleend voor het veranderen van de eerdere verleende vergunning voor een afvalbrengstation Westmaas en deze vergunning gewijzigd. Daarbij had GS een vloeistofdichte voorziening voorgeschreven. RAD kon zich niet verenigen met dit voorschrift en tekende beroep aan bij de Afdeling. Het betoog van RAD kwam erop neer dat het voor het behalen van een verwaarloosbaar bodemrisico niet nodig zou zijn een vloeistofdichte voorziening te hebben. In dit verband werd tevens aangevoerd dat geen sprake zou zijn van opslag van bodembedreigende stoffen. Echter, volgens GS is de opslag van het tuinafval wel degelijk bodembedreigend, omdat groenafval met bladeren verontreinigd kan zijn met pesticiden, microverontreinigingen en verontreinigde grond, terwijl daarnaast percolaat waarin afbraakproducten van bladeren zitten, tot verrijking van de bodem ter plaatse van de opslag kan leiden. In dit verband wees GS er ook op dat op grond van de geldende vergunning niet zou zijn uitgesloten dat dit groenafval alsmede groenafval dat elders al nat is geworden of zodanig lang opgeslagen is geweest dat al een begin van een composteringsproces is aangevangen, in de inrichting ter opslag wordt aangeboden. Volgens GS moest RAD voor de opslag van groenafval met bladeren op basis van de NRB dan ook maatregelen treffen om tot een verwaarloosbaar risico te komen met behulp van een gekeurde vloeistofdichte vloer.

De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat gft-afval – waartoe ook tuinafval behoort – onder de noemer overige organische meststof onder de lijst van potentieel bodembedreigende stoffen valt. Gft-afval mag volgens de voor de inrichting geldende vergunning uitsluitend in een dichte afzetcontainer worden opgeslagen, maar RAD slaat het grof tuinafval op in een stortvak dat is voorzien van een vloeistofkerende vloer. Het mogelijk van het tuinafval afkomende percolaat en het indringende hemelwater worden geloosd op het hemelwaterriool, zodat mogelijke verontreiniging van de bodem aldus wordt voorkomen. Verder wordt het stortvak één- tot tweemaal per maand ontdaan van het tuinafval en nadien wordt de vloer gereinigd, zodat bladafval niet blijft liggen en ook geen kans heeft om te gaan composteren. Volgens RAD is hiermee voldoende aangetoond dat mogelijk uit het tuinafval vrijkomende stoffen niet in de bodem kunnen indringen en is de aanwezigheid van een bodemrisico verwaarloosbaar. De Afdeling ging daarin mee door te oordelen dat de juistheid van de hiervoor beschreven situatie binnen de inrichting door GS onvoldoende is weersproken. Gezien de wijze van opslag, waarbij voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze vloeistofkerend is en mogelijke verontreinigingen in het percolaat en het hemelwater voldoende worden afgevoerd, is door het GS onvoldoende aangetoond dat in het stortvak bodembedreigende stoffen worden opgeslagen en dat dit een dermate bodemrisico oplevert, dat in dit geval het aanbrengen van een vloeistofdichte voorziening RAD kan worden gevergd.

Verder wees de Afdeling GS erop dat moet worden bezien welke betekenis er moet toegekend aan de conceptversie van de “Nederlandse Richtlijn bodembescherming 2010”, waaruit zou blijken dat hout en snoeiafval expliciet als intrinsiek nietbodembedreigende stoffen worden uitgesloten in de ’Niet limitatieve lijst van voorbeelden van veel voorkomende bodembedreigende stoffen’. Dit laatste oordeel is op twee punten opmerkelijk. Ten eerste was het ten tijde van de uitspraak nog maar de vraag of  de NRB 2010 ongewijzigd in stand zal worden gelaten. Ten tweede wordt slechts hout- en snoeiafval expliciet genoemd als stoffen die intrinsiek niet meer als bodembedreigend worden beschouwd en niet andere groenafval zoals (mogelijk bespoten) bladafval en opgeruimde planten en struiken. Hoe dan ook, het bestreden besluit berustte volgens de Afdeling niet op een deugdelijke motivering waardoor het besluit van 9 maart 2010 werd vernietigd voor wat betreft de voorgeschreven vloeistofdichte voorziening.