Bevriezen van lonen boven inkomensgrens: geen ongelijke behandeling

donderdag, 28 februari 2013

Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat het ingrijpen in reeds gemaakte loonafspraken in de regel niet aanvaardbaar is. Echter, ten aanzien van het niet toekennen van een loonsverhoging kan anders worden gedacht, zo volgt een recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.

Feiten

Werkgever laat bij brief van 30 maart 2009 aan het personeel weten dat, nadat zij van de Ondernemingsraad instemming heeft verkregen, zij de salarissen het komende jaar zal bevriezen en de winstdeling niet zal uitkeren aan werknemers die meer dan € 2.500 bruto per maand verdienen. Reden is dat werkgever een kostenreductie dient door te voeren. De werkgever heeft wereldwijd in 2009 ten opzichte van 2008 een verlies geleden van € 1 miljard. De vestiging in Amsterdam daarentegen heeft in 2009 winst gemaakt. Werknemer is in dienst van werkgever (vestiging Amsterdam) laatstelijk als teamleider tegen een maandsalaris van circa € 2.520 bruto. Per 1 november 2010 beëindigen partijen de arbeidsovereenkomst in verband met een reorganisatie. Werknemer vordert vervolgens achterstallig loon en betaling van de winstuitkering, stellende dat de werkgever niet tot het instellen van de inkomensgrens had mogen overgaan. De Kantonrechter stelt de werknemer in eerste aanleg in het gelijk.

Oordeel Hof

Anders dan de Kantonrechter is het Hof van oordeel dat de door de werkgever getroffen maatregel ter zake de loonsverhoging niet leidt tot een ongelijke behandeling voor gelijke arbeid. Door het stellen van de inkomensgrens zijn de inkomens die horen bij bepaalde functies (tijdelijk) gemaximeerd, zodat boven die grens geen loonsverhogingen worden toegekend. Werknemer heeft niet gesteld dat anderen die evenals hij meer dan € 2.500 bruto per maand verdienen wel een loonsverhoging zouden hebben gekregen.

Vervolgens beantwoordt het Hof de vraag of de werkgever bevoegd was om de inkomensgrens in te voeren. Heeft de werkgever daarbij gehandeld zoals een goed werkgever betaamt? In aanmerking genomen de door werkgever gestelde noodzaak tot reductie van de kosten (en de instemming van de OR) maakt volgens het Hof niet dat het niet langer toekennen van loonsverhogingen aan werknemers die meer verdienen dan € 2.500 bruto per maand in strijd zou zijn met goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW).

Vervolgens gaat het Hof in op de vraag of werkgever tot het instellen van de inkomensgrens bij de toekenning van de winstdeling had mogen overgaan. Ook deze vraag wordt door het Hof bevestigend beantwoord. Volgens de werkgever komt hem in de personeelsreglement (winstdelingsregeling) een discretionaire bevoegdheid toe. Zij maakt volgens haar zeggen gebruik van die bevoegdheid binnen de grenzen van goed werkgeverschap. Het Hof gaat hierin mee. De vraag die voorligt is of de werkgever, handelend als goed werkgever, heeft kunnen besluiten (tijdelijk) geen winstdeel toe te kennen aan werknemers die meer dan € 2.500 bruto per maand verdienen. Het Hof beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Vaststaat dat de maatregel is ingegeven door de wens van de werkgever te komen tot een sterke kostenbeperking en de werknemer heeft niet betwist dat het concern waarvan de werkgever deel uitmaakt verlies lijdt. Volgens het Hof is het niet in strijd met de normen van goed werkgeverschap om ook aan de werknemers die werken bij een vestiging waar (nog) wel met winst wordt gewerkt een offer te vragen.

Bron: Gerechtshof Amsterdam 20 november 2012, JAR 2013/51.

Auteur