Behoudt een concurrentiebeding zijn werking indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend wordt voortgezet?

woensdag, 15 december 2010

De kantonrechter te Helmond heeft op 3 november jl. uitspraak gedaan betreffende de vraag of tussen partijen nog een concurrentiebeding van kracht is. Tussen partijen is eenmalig een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeengekomen. De arbeidsovereenkomst is daarna stilzwijgend voortgezet, maar is hiermee ook het concurrentiebeding in stand gebleven?

De feiten

G is op 8 december 2003 voor bepaalde tijd, 6 maanden, bij X in dienst getreden als monteur buitendienst. In de tussen partijen overeengekomen arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Na afloop van de 6 maanden is de arbeidsovereenkomst steeds stilzwijgend verlengd. Hierbij is het concurrentiebeding niet opnieuw schriftelijk vastgelegd.

G wil graag bij een ander bedrijf in dienst treden. Mogelijk staat hier het concurrentiebeding aan in de weg, waarin is opgenomen dat G gedurende een periode van twee jaar niet in dienst mag treden bij een soortgelijk bedrijf als X, voor zover dat bedrijf is gevestigd binnen een straal van 25 kilometer vanaf de vestigingsplaats van X.

G is van mening dat het concurrentiebeding in 2004 zijn werking heeft verloren, daar deze bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst opnieuw schriftelijk had moeten worden vastgesteld. G is voorts van oordeel dat het bedrijf buiten de straal van 25 kilometer is gevestigd.

X is daarentegen in de veronderstelling dat het concurrentiebeding uit 2003 van kracht is gebleven en stelt dat het bedrijf weldegelijk binnen de straal van 25 kilometer is gevestigd. In 2005 heeft X geprobeerd het concurrentiebeding uit te breiden tot bedrijven in een straal van 50 kilometer rondom de vestigingsplaats, maar G heeft hier niet mee ingestemd.

G vordert dat de kantonrechter primair het tussen partijen bestaand concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal schorsen of vernietigen, zodat G in dienst kan treden bij het andere bedrijf.

Oordeel kantonrechter

Bij de beantwoording van de vraag of tussen partijen nog een concurrentiebeding van kracht is, is de kantonrechter van oordeel dat niet klakkeloos mag worden aangenomen dat aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 lid 1 BW is voldaan. De vraag is thans of de arbeidsverhouding tussen partijen op dezelfde voorwaarden is voortgezet, of dat er een geheel nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan waarvan de inhoud wordt bepaald door de wijze waarop partijen daar feitelijk uitvoering aan hebben gegeven.

De kantonrechter stelt dat nu de wet expliciet voorschrijft dat een concurrentiebeding schriftelijk dient te worden aangegaan, een dergelijk beding ook alleen kan bestaan als aan dat vereiste is voldaan. Van een werkgever mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van deze regel en dat hij erop toeziet dat deze wordt nageleefd. Bij nalatigheid hiervan dienen de consequenties voor rekening van werkgever te komen.

Mede aan de hand van bovenstaande feiten oordeelt de kantonrechter dan ook dat het concurrentiebeding haar werking heeft verloren, doordat het bij de stilzwijgende verlenging niet opnieuw schriftelijk is aangegaan. De kantonrechter kan het gevorderde echter niet toewijzen bij gebrek aan gronden, daar het concurrentiebeding niet meer bestaat. De werkingsduur (2 jaar) van het oorspronkelijke beding is immers op 8 december 2005 verstreken.

Kortom, ondanks het feit dat de vordering van G niet kan worden toegewezen is hij bevoegd bij het andere bedrijf in dienst te treden.

www.rechtspraak.nl, LJN: BO3195

Anneloes de Graaf-Ardts, LL.B

Auteur