Begrafeniskosten: Wie draait er voor op?

donderdag, 21 mei 2015

Als de nalatenschap van een overledene meer schulden bevat dan activa en/of als de erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen of beneficiair hebben aanvaard, hoe moet het dan met de kosten van de begrafenis?

Op grond van de Wet op de lijkbezorging moet de gemeente zorgdragen voor de uitvaart van een overledene, wanneer de nalatenschap daarvoor niet voldoende financiële middelen bevat en de erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen of beneficiair aanvaard. De vraag kan worden gesteld of het redelijk is dat deze kosten voor rekening van de gemeenschap komen als er wel nabestaanden zijn. Weliswaar bevat in het omschreven geval de nalatenschap geen financiële middelen voor bekostiging van een uitvaart, maar het is de vraag of het dan niet méér voor de hand ligt dat de erven uit privémiddelen deze uitvaart bekostigen. Anderzijds kan men ook menen dat het een collectieve verantwoordelijkheid is van de maatschappij om in zo’n geval de kosten van de uitvaart te dragen.

Daar blijft het echter niet bij. Artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging geeft de gemeente de mogelijkheid om deze kosten van de uitvaart te verhalen op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 1:392 tot en met 1:396 BW “tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest …” Wie zijn deze bloed- en aanverwanten? Artikel 1:392 BW bepaalt dat het gaat om: de ouders van de overledene, de kinderen en, jawel, stiefkinderen, schoonouders en stiefouders. In alle gevallen alleen “als deze tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest”.

De vraag doet zich voor wat met dit laatste citaat exact is bedoeld. Beschreven wordt de fictie dat de betreffende bloed- en aanverwanten tot onderhoud van de overledene verplicht zijn. Maar wordt bedoeld: in het geval de overledene nog in leven zou zijn? Of wordt bedoeld in het geval de overledene tijdens zijn leven een onderhoudsbijdrage zou hebben gevorderd? De vraag is dus: aan welke criteria moet hier toetsing plaatsvinden?

Ik zou menen dat hiervoor bepalend is artikel 1:397 BW en als peildatum de datum van overlijden. Weliswaar wordt dit artikel niet genoemd in artikel 22 Wet op de lijkbezorging, maar dat is mijns inziens niet doorslaggevend; de grondslag van een mogelijke onderhoudsverplichting van bloed- en aanverwanten is vastgelegd in de artikel 1:392 tot en met 1:396 BW, zoals die ook in artikel 22 Wet op de lijkbezorging zijn genoemd. De omvang van de op die artikelen gebaseerde onderhoudsverplichting wordt echter geregeld in artikel 1:397 BW, zodat al deze wetsartikelen niet los van elkaar kunnen worden gezien.

Artikel 1:397 BW houdt in dat de omvang van de onderhoudsverplichting van bloed- en aanverwanten wordt bepaald door enerzijds de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Zijn meerdere bloed- of aanverwanten verplicht een onderhoudsbijdrage te verstrekken dan is ieder van hen gehouden een deel van de bijdrage, waaraan de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft, te voldoen. Dit deel komt dan overeen met ieders draagkracht.

Als mijn uitgangspunt juist is en de gemeente klopt voor het verhaal van uitvaartkosten aan bij bloed- en aanverwanten dan kan dat alleen met succes onder twee voorwaarden: wanneer de overledene behoefte had aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en indien de betreffende bloed- of aanverwanten voldoende draagkracht hebben om een bijdrage te voldoen. Ik zou daarbij de datum van overlijden aanhouden als peildatum voor de berekening van behoefte en draagkracht. Bij die berekening moeten dan de wettelijke maatstaven, die zijn ontwikkeld voor de berekening van onderhoudsbijdragen, worden toegepast.

Ik ben het derhalve niet eens met de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 november 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:9354). In die uitspraak besliste de rechtbank dat de kinderen van de overledene (die de nalatenschap hadden verworpen), ieder voor een gelijk deel de kosten van de uitvaart, die door de gemeente waren betaald, moesten terugbetalen. Daarbij heeft de rechtbank geen onderzoek gedaan naar behoefte en draagkracht, op grond van de overweging dat in artikel 22 Wet op de lijkbezorging niet wordt verwezen naar de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht van artikel 1:397 BW en dat die maatstaven zich naar hun aard niet lenen voor toepassing bij de beoordeling van verhaal van een eenmalige bijdrage aan kosten van lijkbezorging. Ik heb enkele alinea’s eerder bepleit dat verwijzing naar de artikelen 1:392 tot en met 1:396 BW impliceert dat de maatstaven van artikel 1:397 BW van toepassing zijn. Daarnaast gaat het weliswaar om een eenmalige bijdrage, maar is daarop nu juist de regeling rond het verstrekken van een bijdrage in levensonderhoud van toepassing verklaard in de wet door middel van de in artikel 22 Wet op de lijkbezorging beschreven fictie. Als de betreffende kinderen geen enkele draagkracht of vermogen bezitten, gaat dat naar mijn mening in tegen de bedoeling van artikel 22 Wet op de lijkbezorging.

De wetgever had ervoor kunnen kiezen om de meer genoemde fictie ook van toepassing te verklaren voor de echtgenoot van de overledene. Deze keuze is echter niet gemaakt nu in de artikelen 1:392 tot en met 1:396 BW geen verplichting tot verstrekking van levensonderhoud van een echtgenoot is geregeld. Die verplichting is immers vastgelegd in artikel 1:81 BW: echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd; zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen. Aldus oordeelde Rechtbank Den Haag op 3 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1014). Als de gemeente de kosten van de uitvaart heeft betaald, kunnen deze kosten dus niet worden verhaald op de weduwe.

Zoals bekend, is het al spitsroeden lopen voor erfgenamen die worden geconfronteerd met een negatieve nalatenschap en die het gevaar lopen om ongewenst geacht te worden een dergelijke nalatenschap te hebben aanvaard. Hebben de erfgenamen deugdelijk verworpen of beneficiair aanvaard, dan nog bestaat dus de kans dat zij de kosten van de uitvaart voor eigen rekening moeten nemen. Welke criteria daarbij moeten worden aangelegd, is op zijn minst discutabel.