Beëindigingsregeling

maandag, 1 december 2003

Waarden en normen bij een beëindigingsregeling

Vaak worden arbeidsovereenkomsten beëindigd via een zogenoemde 'pro forma ontbindingsprocedure', waaraan een beëindigingsovereenkomst tussen partijen ten grondslag ligt. Dit om eventuele aanspraken van een werknemer op een WW-uitkering zoveel mogelijk te waarborgen. Hierbij creatief met de waarheid omspringen kan verkeerd aflopen. Dat valt af te leiden uit een recente uitspraak van de kantonrechter te Enschede.

Pro forma ontbindingsprocedures worden in verreweg de meeste gevallen schriftelijk door de kantonrechter afgedaan op basis van een formeel, neutraal geformuleerd, verzoek- en verweerschrift. In de zaak waar het hier om gaat vindt echter wel een mondelinge behandeling plaats. Tijdens deze behandeling klapt de werknemer uit de school. Hij geeft aan dat de werkgever weliswaar in haar verzoekschrift een vergoeding aanbiedt, maar niet van plan is om die vergoeding ook daadwerkelijk uit te betalen. De werkgever betwist dit in eerste instantie. Daarop geeft de werknemer aan dat hij op staande voet was ontslagen, maar dat in zijn visie geen sprake was van een dringende reden die dit ontslag rechtvaardigde. Werkgever en werknemer hebben toen besloten in onderling overleg een beëindigingsregeling te treffen.

Uiteindelijk bleek ter mondelinge behandeling dat de werkgever de toe te kennen vergoeding inderdaad niet zou uitbetalen. De aangeboden vergoeding was slechts op papier ten tonele gevoerd om bij de WW-uitkeringsinstanties geen argwaan te laten ontstaan op het punt van de verwijtbaarheid van de werkloosheid van de werknemer. Deze variant was, aldus de kantonrechter, "zo buitenissig" dat het even duurde voordat de kantonrechter begreep wat de bedoeling van de werkgever was.

De rechter vindt deze afspraak dan ook niet acceptabel. De werkgever blijft in feite bij zijn eerdere standpunt dat het verleende ontslag op staande voet terecht was gegeven. Het gaat volgens de kantonrechter niet aan om enerzijds een (bodem)procedure over het ontslag op staande voet te willen ontlopen met alle mogelijke risico's van dien en anderzijds geen ontbindingsvergoeding te willen betalen, maar wel zekerheid te willen krijgen over het einde van het dienstverband. Nog afgezien dat de gekozen constructie gekwalificeerd kan worden als ‘het van twee walletjes eten door de werkgever' ontlokt de werkgever hierbij een rechterlijke uitspraak met als ontoelaatbaar nevendoel: het op het verkeerde been zetten van de WW-instanties. Er volgt dan ook een tirade van de kantonrechter over deze ontoelaatbare handelwijze, waarna hij oordeelt dat deze manoeuvres van de werkgever voor wat betreft de vergoeding niet zonder gevolgen kunnen blijven. De kantonrechter vindt een ontbindingsvergoeding met de correctiefactor 2 op zijn plaats, hetgeen veel hoger uitvalt dan partijen hadden afgesproken.

Deze uitspraak kan ook van betekenis zijn bij de keuze van de ontbindingsgrondslag. Sedert 1 september 2003 toetst het UWV verscherpt bij formele ontbindingsprocedures op basis van bedrijfseconomische omstandigheden. In voorkomende gevallen verzoekt het UWV om onderbouwing van deze grond (overlegging jaarcijfers, is het anciënniteitsbeginsel wel correct toegepast etc.). Het UWV legt deze informatie voor aan het CWI met de vraag of zij in dat geval tot afgifte van een ontslagvergunning zou hebben besloten. Alleen indien dat het geval is, krijgt de werknemer een WW-uitkering. 

Het is niet ondenkbaar dat werkgevers en werknemers ter vermijding van dergelijke procedures kiezen voor de neutrale grondslag 'verschil van inzicht over de uit te voeren werkzaamheden'. Dat dit niet zonder risico's is bij een rechterlijke beoordeling, maar ook ter zake het recht op een WW-uitkering, indien die grondslag in feite niet juist is, ligt in het kader van het vorenstaande voor de hand.