Beëindiging groepsrelatie leidt niet (automatisch) tot einde aansprakelijkheid uit hoofde van 403-verklaring

woensdag, 3 juni 2009

De Rechtbank Rotterdam heeft in een recente uitspraak geoordeeld dat de beëindiging van de groepsrelatie niet automatisch leidt tot een einde van de (doorlopende) aansprakelijkheid uit hoofde van een 403-verklaring. De enkele omstandigheid dat de dochter reeds jaren geleden verkocht is en de schuldeisers daarvan op de hoogte waren (of behoorden te zijn) doet daaraan niet af. 

De 403-verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken door neerlegging van een daartoe strekkende verklaring bij het handelsregister. Gevolg daarvan is dat de moeder niet meer aansprakelijkheid is voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die door de dochter zijn verricht na de dag waarop de intrekkingsverklaring is neergelegd. De aansprakelijkheid voor schulden die voortvloeien uit gedurende de gelding van de 403-verklaring door de dochter verrichte rechtshandelingen, loopt ondanks de intrekking van de 403-verklaring gewoon door (de zgn. doorlopende aansprakelijkheid).

De doorlopende aansprakelijkheid kan niet worden beëindigd zolang de dochter nog tot de groep van de moeder behoort (artikel 2:404 lid 3 sub a BW). Zodra de groepsband echter beëindigd is, kan ook de doorlopende aansprakelijkheid beëindigd worden. Daartoe dient de oud-moeder een mededeling van het voornemen tot beëindiging ter inzage te leggen bij het handelsregister en dient zij een aankondiging te plaatsen in een landelijk dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt. Schuldeisers kunnen vervolgens binnen twee maanden na aankondiging en publicatie in verzet komen tegen dit voornemen. Doen zij dit niet dan eindigt de doorlopende aansprakelijkheid.

In de zaak bij de Rechtbank Rotterdam ging het om een oud-moeder die in 2004 haar dochter – ten behoeve waarvan zij een 403-verklaring had afgegeven – had verkocht. Pas in december 2008 heeft de oud-moeder de 403-verklaring ingetrokken en heeft zij het voornemen gepubliceerd om de doorlopende aansprakelijkheid te beëindigen. De oud-dochter gaat vervolgens in januari 2009 failliet. Kort na faillissement komt een aantal schuldeisers van de dochter (tijdig) in verzet tegen het voornemen van de oud-moeder om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen (ex artikel 2:404 lid 3 onder d BW). 

De oud-moeder stelt zich vervolgens op het standpunt dat zij – gelet op de achtergrond van de 403-verklaring – niet aansprakelijk is voor schulden die zijn ontstaan na het beëindigen van de groepsband met de dochter, indien de schuldeisers daarvan op de hoogte waren, dan wel op de hoogte hadden moeten zijn.

De achtergrond van de 403-verklaring is dat derden in staat moeten zijn om de financiële positie van hun (beoogde) contractuele wederpartij te beoordelen. Indien dit niet mogelijk is doordat voor deze wederpartij een groepsvrijstelling geldt, dan dient de moeder – die nog steeds een (geconsolideerde) jaarrekening dient te publiceren – zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de dochter. 

De oud-moeder stelt dat alle schuldeisers die tegen de beëindiging van de doorlopende aansprakelijkheid in verzet zijn gekomen, op de hoogte waren (of behoorden te zijn) dat de oud-moeder de groepsband tussen haar en de dochter had beëindigd. Ook wisten de schuldeisers dat de oud-moeder nooit beoogd heeft de 403-verklaring werking te laten hebben voor schulden van een vennootschap die niet meer tot haar groep behoorde. De oud-moeder meent dan ook dat de schuldeisers zich niet op de (abusievelijk niet ingetrokken) 403-verklaring kunnen beroepen.

De rechtbank passeert dit verweer van de oud-moeder. De enkele omstandigheid dat de schuldeisers wisten, konden of behoorden te weten dat de oud-moeder sinds maart 2004 geen groepsband meer had met de dochter en dat zij (kennelijk: daaruit) hadden behoren af te leiden dat de oud-moeder niet beoogde de 403-verklaring werking te laten hebben voor schulden van een verkochte vennootschap, brengt volgens de rechtbank niet met zich dat jegens de oud-moeder geen aanspraken op grond van de 403-verklaring meer geldend gemaakt zouden kunnen worden. De rechtbank knoopt daarbij aan bij de in artikel 2:404 lid 3 BW geformuleerde voorwaarden voor de beëindiging van de doorlopende aansprakelijkheid. Daar de beëindiging van de groepsband slechts één van deze voorwaarden is voor beëindiging van de doorlopende aansprakelijkheid, is daarmee niet goed verenigbaar dat de enkele bekendheid met het feit dat de dochtervennootschap niet meer behoort tot de groep van verweerster, ertoe leidt dat geen aanspraken meer ontleend zouden kunnen worden aan de 403-verklaring.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de 403-verklaring een niet tot één bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling is, op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de oud-moeder is ontstaan. De eisen van rechtszekerheid brengen in dat kader met zich dat de oud-moeder aan de 403-verklaring en de daaruit voortvloeiende doorlopende aansprakelijkheid kan worden gehouden, totdat deze daadwerkelijk rechtsgeldig is ingetrokken, respectievelijk beëindigd.

Conclusie 
Deze zaak illustreert dat het zeer belangrijk is om bij beëindiging van de groepsband tevens de benodigde formaliteiten in acht te nemen voor intrekking van de 403-verklaring en de beëindiging van de daaruit voortvloeiende doorlopende aansprakelijkheid. Doet een oud-moeder dit niet, dan blijft zij aansprakelijk voor schulden van de oud-dochter die voortvloeien uit (na beëindiging van de groepsband) door de oud-dochter verrichte rechtshandelingen!