Bank niet aansprakelijk voor besteding van gelden beschikbaar gekomen op grond van hypothecaire lening op basis van overwaarde huis

donderdag, 8 oktober 2009

In het onderhavige zaak staat de vraag centraal of SNS Bank aansprakelijk is voor het ter beschikking stellen van gelden die door eiser zijn aangewend voor een beleggingsconstructie die niet door SNS Bank aan eiser is aangeboden en verstrekt, maar door een derde partij die failliet is gegaan. Eiser heeft daardoor zijn geïnvesteerde bedrag hebben verloren. 

Feiten
Eiser wilde zijn huis verbouwen voor een bedrag van € 25.000,00 en zijn maandelijkse lasten verlagen. Voor de financiering daarvan heeft hij advies ingewonnen bij A (hierna: “A”) van adviesbureau X. A adviseerde eiser de bestaande hypotheek op zijn woonhuis over te sluiten. Op 28 januari 2003 heeft A een berekening gemaakt en die naar SNS Bank verzonden.

In de berekening was onder meer het opgenomen een "Storting op een verpande inkomensaanvullingsrekening met een vast rendement van 10% met inleg retour garantie”. Als stortingsbedrag was een bedrag van € 50.000,00 opgenomen. Met dit bedrag is deelgenomen aan het Profit Plan van New World Products (hierna: “NWP”). Op 9 mei 2003 stuurt A een (gewijzigde) offerte d.d. 8 mei 2003 van SNS Bank. Deze offerte is door eiser voor akkoord getekend.

Na het passeren van de hypotheekakte heeft eiser  € 50.000,00 overgemaakt naar NWP. Tot 1 december 2003 heeft eiser de maandelijkse inleggarantie van € 416,67 ontvangen. Op 16 juni 2004 is NWP in staat van faillissement geklaard. Op 20 oktober 2004 heeft eiser A aansprakelijk gesteld. De vordering tegen A is afgewezen. Op 28 april 2008 heeft eiser SNS Bank aansprakelijk gesteld.

Stellingen eiser
Ingevolge artikel 6:76 BW is SNS Bank volgens eiser aansprakelijk voor de gedragingen van A. A is volgens eiser te beschouwen als hulppersoon van SNS Bank bij de totstandkoming van de hypothecaire financieringsovereenkomst. Daarnaast heeft A volgens eiser onzorgvuldig gehandeld door te adviseren over een belegging die in strijd was met de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), nu NWP niet over de vereiste vergunning beschikte. Dit leidt in de ogen van eiser tevens tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW.

Daarnaast acht eiser SNS Bank als hypothecair kredietverlener aansprakelijk nu zij niet heeft voldaan aan haar bijzondere zorgplicht jegens eiser. SNS Bank is, volgens eiser, tekortgeschoten door onvoldoende zorgvuldigheid te betrachten:

a) in haar keuze van A als tussenpersoon. Eiser stelt dat ook op grond van artikel 3 van de Algemene Bankvoorwaarden SNS Bank bij haar keuze van een tussenpersoon de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen.

b) bij de controle van A. Ook na het aangaan van de hypothecaire financieringsovereenkomst had SNS Bank volgens eiser A moeten blijven controleren of aan de Gedragscode werd voldaan, hetgeen, volgens eiser, niet het geval was.

c) bij het controleren of de bestemming van het krediet voldoende zekerheid bood tot terugbetaling en bij de controle van de leencapaciteit van eiser. SNS Bank had volgens eiser op grond van de Gedragscode (artikel 6.1) de waarde van alle zekerheden dienen te controleren, dus ook de aandelen in NWP. De aandelen in NWP waren verboden effecten, hetgeen door controle van SNS Bank eerder naar voren zou zijn gekomen. De investeringsovereenkomst is volgens eiser te beschouwen als een nevenovereenkomst in de zin van de Gedragscode (artikel 8).

SNS Bank heeft iedere aansprakelijkheid ontkend.

Oordeel rechtbank
De rechtbank oordeelt dat SNS Bank als verstrekker van een hypothecaire geldlening gehouden om zodanig onderzoek te doen en zodanige informatie in te winnen dat zij een afgewogen beslissing kan maken of haar toekomstige wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zal kunnen beschikken om aan de verplichtingen uit de overeenkomst inzake de hypothecaire geldlening te kunnen voldoen. Eiser kon aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst met SNS Bank voldoen. Eiser heeft voorts ten onrechte naar artikel 6.1 en 6.2 van de Gedragscode versie 2008 verwezen, nu deze versie niet op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is.

De door eiser aangevoerde stelling in verband met artikel 8 van de Gedragscode berust volgens de rechtbank op een verkeerde lezing van de Gedragscode. De investeringsovereenkomst met NWP kan niet kan worden beschouwd als een nevenovereenkomst in de zin van de Gedragscode, nu de investeringsovereenkomst niet in verband stond met de door SNS Bank verstrekte hypothecaire geldlening. De schade voor eiser vloeit volgens de rechtbank voort uit de door A geadviseerde beleggingsconstructie. In casu betrof het niet een product van SNS en stond de beleggingsconstructie ook niet in enig verband met de beoordeling door SNS Bank om tot toekenning van de hypothecaire lening over te gaan. Van een situatie als genoemd in artikel 6:76 BW is dan ook geen sprake. De vorderingen van eiser worden derhalve afgewezen.

(Rb.Utrecht d.d. 9 september 2009, LJN BJ7292 ,www.rechtspraak.nl).