Alleen in de gezamenlijke woning: gebruiksvergoeding

maandag, 13 april 2015

Vaak doet zich discussie voor over wie in de echtelijke woning mag blijven bewonen in de aanloop tot een echtscheiding. Wanneer de echtgenoten zijn getrouwd in gemeenschap van goederen en gezamenlijke eigenaar zijn van de woning, kan degene die de woning moet verlaten aanspraak maken op een gebruiksvergoeding (art. 3:189 lid 2 i.v.m. art. 3:168 en 3:169 BW) totdat de woning wordt verkocht of aan de ander wordt toegedeeld. Deze kan in beginsel ingaan vanaf het moment dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden (art. 3:189 lid 1 BW), derhalve vanaf het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek. 

In het verleden werd voor de berekening van deze gebruiksvergoeding aangeknoopt bij de overwaarde van de woning. De redenering was dan, dat degene die de woning niet gebruikte wel vermogen “in de woning” had zitten en dit vermogen niet kon laten renderen of anders kon aanwenden. Op grond daarvan werd de gebruiksvergoeding berekend op een rendementspercentage van de helft van de overwaarde die toebehoort aan de vertrokken echtgenoot. 

De laatste jaren komt deze berekenmethode echter in het gedrang, omdat prijzen van huizen zijn gedaald en er in veel gevallen geen sprake meer is van overwaarde. Bij het vasthouden aan de gebruikelijke berekenwijze zou dit leiden tot afwijzing van een verzoek tot het opleggen van een gebruiksvergoeding, terwijl de woning gemeenschappelijk eigendom is, een van de twee er geen gebruik van kan maken en zelfs elders kosten moet maken om te kunnen wonen. 

Inmiddels wordt er in de rechtspraak op deze ontwikkeling gereageerd. Zo heeft bijvoorbeeld het Gerechtshof Den Haag op 17 maart 2015 (klik hier voor de uitspraak) hiervoor de volgende oplossing gevonden. 

In deze kwestie bewoonde de man de gezamenlijke woning. Op die woning rustte een gezamenlijke hypothecaire geldlening. Volgens vaste jurisprudentie dient dan ieder van partijen de helft van de hypotheekrente te dragen. In dit geval droeg echter de man de gehele hypotheekrente. Het hof was van oordeel dat de man daarmee feitelijk reeds een gebruiksvergoeding aan de vrouw voldeed ter grootte van de helft van de hypotheekrente. Deze helft kwam bovendien overeen met de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding. Het hof achtte het dan ook redelijk om te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding toekwam ter grootte van de helft van de hypotheekrente, welke vergoeding werd verrekend met de helft van de hypotheekrente, die de man voor de vrouw voldeed (een en ander totdat de woning zal zijn verkocht aan derden).