Algehele gemeenschap van goederen per 1 januari 2018 verleden tijd

vrijdag, 12 mei 2017

Het in Nederland van oudsher geldende hoofdstelsel van algehele (beter: wettelijke) gemeenschap van goederen, dat in werking treedt zodra echtgenoten huwen zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, behoort binnenkort tot het verleden. Dit hoofdstelsel houdt in dat vrijwel alle goederen van de echtgenoten, die bij aanvang van het huwelijk aanwezig zijn of nadien worden verkregen, door de huwelijkssluiting gemeenschappelijk eigendom worden van beide echtgenoten. Voor vrijwel alle reeds bestaande of nadien ontstane schulden worden zij beiden door de huwelijksvoltrekking bij helfte draagplichtig en daarvoor kunnen de goederen van de gemeenschap worden uitgewonnen. Van de gemeenschap zijn onder andere uitgezonderd onder uitsluitingsclausule verkregen erfenissen en giften, pensioenrechten en verknochte goederen en schulden. Deze wettelijke gemeenschap van goederen maakt het Nederlandse huwelijksvermogensrecht in de wereld nagenoeg uniek. Op enkele exotische landen na, kent geen enkel ander land een dermate omvangrijke huwelijksgemeenschap.

Wat gaat er veranderen?

Ons hoofdstelsel wordt door diverse politieke partijen niet meer van deze tijd geacht. Daarom is enkele jaren geleden een wetsvoorstel ingediend om de gemeenschap van goederen te beperken, dat inmiddels door zowel de Eerste als Tweede Kamer is aangenomen. Het hoofdargument voor de initiatiefnemers van dit wetsvoorstel is dat het huidige stelsel een verkeerd uitgangspunt hanteert door gemeenschappelijk te maken wat van nature privé is. Dat geldt bijvoorbeeld voor voorhuwelijkse goederen en schulden en erfrechtelijke verkrijgingen en giften (ook zonder uitsluitingsclausule), die in het aangenomen wetsvoorstel buiten de huwelijksgemeenschap blijven.

Behoort een goed voor de huwelijkssluiting echter reeds aan beide echtgenoten gezamenlijk toe, dan behoort dat goed wel tot de huwelijksgemeenschap, ongeacht de exacte eigendomsverhouding.  Goederen die tijdens het huwelijk worden verkregen door ieder van hen afzonderlijk dan wel door hen tezamen, behoren eveneens tot de gemeenschap. Dat blijft door de nieuwe wet dus ongewijzigd.  

Een andere belangrijke wijziging betreft de beperking van de positie van schuldeisers. In de nieuwe wet wordt de echtgenoot van een schuldenaar beter beschermd tegen schuldeisers. Behoort de schuld niet tot de gemeenschap, dan kan deze privé schuld weliswaar nog steeds verhaald worden op de goederen van de gemeenschap, echter nog slechts tot de helft van de verkoopopbrengst van het uitgewonnen goed (in plaats van op de gehele verkoopopbrengst, zoals thans nog het geval is). De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap. Voorts krijgt de echtgenoot van de schuldenaar het recht om het goed waar de schuldeiser zich op wenst te verhalen, over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed uit zijn privé vermogen. Maakt de echtgenoot van dat overnamerecht gebruik, dan gaat het goed tot het privé vermogen van die echtgenoot behoren. Zo kan die echtgenoot bijvoorbeeld bewerkstelligen dat de gemeenschappelijke woning behouden blijft.  

Ondernemers

Ook voor ondernemers brengt de nieuwe wet een grote verandering met zich mee, die reeds het nodige stof heeft doen opwaaien. Zo bepaalt de nieuwe wet dat indien een voorhuwelijkse onderneming op naam en voor rekening van een personenvennootschap (maatschap of vennootschap onder firma) of een rechtspersoon (BV of NV) wordt uitgeoefend, de gerechtigdheid tot die personenvennootschap of die rechtspersoon buiten de gemeenschap blijft. Is de echtgenoot/ondernemer in overwegende mate bij machte te bepalen dat de winsten van die onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, dan komt echter ten bate van de gemeenschap “een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen”.

De vraag die dan direct opkomt, is hoe deze “redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid” moet worden bepaald. Op die vraag blijft de wetgever het antwoord schuldig. Het betreft een volstrekt open norm die per geval nader ingevuld zal moeten worden door de rechter. De rechtsonzekerheid die daardoor ontstaat, is het gevolg van een politieke keuze. De trouwlustige ondernemer zal er niet bij gebaat zijn.

Voor ondernemers wordt het met de inwerkingtreding van de nieuwe wet dus nog belangrijker om zich voorafgaand aan het huwelijk te bezinnen over hoe zij het ondernemingsvermogen in geval van een echtscheiding willen beschermen tegen aanspraken van de andere echtgenoot. Thans beseffen de meeste ondernemers dat het verstandig is om huwelijkse voorwaarden te sluiten, ook omdat zij hun (aanstaande) echtgenoot willen beschermen tegen zakelijke schuldeisers. Het gevaar van de nieuwe wet is echter dat deze de ondernemers met een voorhuwelijkse onderneming op het verkeerde been kan zetten. Doordat deze onderneming (althans de gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen) van rechtswege niet langer tot de gemeenschap behoort, kan de ondernemer denken dat het wel snor zit met de bescherming van zijn onderneming tegen aanspraken van zijn aanstaande echtgenoot. Waarom zou hij/zij dan nog huwelijkse voorwaarden sluiten? Het antwoord is simpel: omdat je als ondernemer zowel tijdens als aan het einde van je huwelijk niet wil verzanden in een discussie over wat “een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid” is.

Dit nieuwe wettelijk criterium nodigt in geval van echtscheiding uit tot ellenlange procedures tot aan de Hoge Raad en terug, zoals we dat ook gezien hebben bij het periodiek verrekenbeding, ter zake waarvan de wet ook enkele open normen bevat. In de akte van huwelijkse voorwaarden kun je de wettelijke vergoeding uitsluiten of een concrete afspraak maken over wat dan wel tot de gemeenschap behoort. Dan weten beide echtgenoten waar ze aan toe zijn.

Inwerkingtreding 1 januari 2018

Saillant detail is dat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer op 28 maart 2017 is aangenomen met de kleinst mogelijke meerderheid (38 stemmen voor, 37 tegen). Dit illustreert dat in het parlement grote verdeeldheid heerst over de wenselijkheid van de gevolgen die de wet teweegbrengt. Er is echter geen weg meer terug.  

Uit een brief van de staatssecretaris blijkt dat de regering voornemens is om het wetsvoorstel in werking te laten treden per 1 januari 2018. Dat betekent dat voor huwelijken die vanaf die datum worden gesloten de nieuwe beperkte gemeenschap van goederen geldt. Voor huwelijken die daarvoor zijn of worden gesloten, blijft de huidige gemeenschap van goederen gelden.

Tot besluit

Onder de nieuwe wet zal er standaard sprake zijn van drie vermogens: het gemeenschapsvermogen en het privé vermogen van beide echtgenoten. Hoe groter het voorhuwelijks vermogen, hoe groter de privé vermogens. Verschillende vermogens kunnen zich echter vermengen. Administreren dat een goed privé of gemeenschappelijk eigendom is, op welke wijze het goed is gefinancierd (met privé of gemeenschappelijk vermogen), zal daarom veel belangrijker worden. Kan geen van beide echtgenoten bewijzen dat het goed van hen privé is, dan wordt het goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Om dat te voorkomen is het noodzakelijk om een deugdelijke administratie bij te houden. Dat zal voor veel mensen een behoorlijke opgave zijn.

Wilt u naar aanleiding van dit artikel meer weten over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Joris Luijten.