Akkoord over ontslagvergoeding: versoepeling van het ontslagrecht?

donderdag, 11 september 2008

Maandag 8 september jl. werd bekend dat minister van Sociale Zaken Piet Hein Donner samen met vakcentrale FNV en werkgeversorganisatie VNO-NCW een maximum stelt aan de ontslagvergoeding van werknemers die jaarlijks meer dan 75.000 euro verdienen. Die werknemers ontvangen bij ontslag maximaal één jaarsalaris. Het plan moet onderdeel worden van een nog af te sluiten najaarsakkoord. De winst voor de vakbeweging is de belofte dat het kabinet afziet van andere ingrepen in het ontslagstelsel maar wat is de winst voor de werkgever? 

Slechts 10% van de werknemers verdient meer dan 75.000 euro. Van die 10% is een kleine groep langer dan twaalf jaar in dienst. Daarmee raakt het akkoord slechts een topje van de ijsberg. Overigens is het niet uitgesloten dat vanaf nu nieuwe veelverdieners hun ontslagvergoeding in hun contract laten vastleggen waardoor de nieuwe afspraak geen effect op hen heeft. De overige werknemers kunnen nog altijd via de kantonrechter een maand salaris per gewerkt jaar krijgen. Door het gesloten akkoord verandert er in de arbeidsrechtpraktijk dus vrijwel niets. Het aftoppen van de ontslagvergoeding voor topinkomens heeft immers niets met versoepeling van het ontslagrecht te maken. 

Overigens kunnen bij de regeling zelf ook kritische kanttekeningen worden geplaatst.  Ten eerste is de inkomensgrens van 75.000 euro vreemd. Waarop deze grens is gebaseerd en op basis waarvan dit onderscheid gerechtvaardigd zou zijn, is onduidelijk. Een werknemer met 20 dienstjaren die 74.000 euro verdient, zou een ontslagvergoeding van ten minste 20 maandsalarissen (neutrale kantonrechtersformule) ontvangen, terwijl een werknemer met hetzelfde aantal dienstjaren en een inkomen van 75.000 euro het moet doen met 12 maandsalarissen. Maximering van de ontslagvergoeding zou voor iedere werknemer hetzelfde moeten zijn. Hoe het akkoord zich verhoudt tot de zogeheten kantonrechtersformule, waarbij aan werknemers boven de 40 jaar gewogen dienstjaren worden toegekend, is eveneens onduidelijk. Verder ontbreekt een redelijkheidstoets: kan in geval van bijzondere omstandigheden worden afgeweken van het maximum?

Ten tweede roept de definitie van de inkomensgrens ad 75.000 euro vragen op. Betreft het een salaris inclusief alle loonbestanddelen zoals een eventuele bonus of winstuitkering of gaat men uit van een “kaal” salaris? Voorts staat ter discussie of de FVN wel een akkoord kan treffen voor werknemers die niet in haar doelgroep vallen. Kortom, het gesloten akkoord roept meer vragen op dan antwoorden. Wellicht dat het Najaarsoverleg meer duidelijkheid zal geven.

Auteur