Afspraken omtrent partneralimentatie: niet-wijzigingsbeding

woensdag, 15 juli 2015

In een echtscheidingsconvenant kunnen partijen een zogenaamd ‘niet-wijzigingsbeding’ voor de partneralimentatie opnemen. Een dergelijk beding houdt in dat in beginsel wijziging van de partneralimentatie door de rechter niet mogelijk is. Het niet-wijzigingsbeding berust op de gedachte dat het met het oog op de rechtszekerheid gewenst is dat partijen het bestaan en de omvang van de alimentatieverplichting voor eens en altijd kunnen vaststellen. Zo kan voorkomen worden dat na de echtscheiding een van de partijen zich opnieuw tot de rechter wendt. In de dagelijkse praktijk komt het echter voor dat één van de partijen ondanks een niet-wijzigingsbeding na verloop van tijd alsnog tot wijziging van de alimentatie wil overgaan. Uit de jurisprudentie blijkt dat dit geen gemakkelijke zaak is.

De voornaamste redenen voor een alimentatiewijziging, die veelal door de verzoekende partij worden genoemd, zijn verminderde verdiencapaciteit, gedaalde inkomsten door werkloosheid (economische crisis) of ziekte en het feit dat de ex-partner inmiddels weer in zijn of haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Een niet-wijzigingsbeding sluit een verzoek tot wijziging van de alimentatie op grond van  een dergelijke wijziging van omstandigheden echter uit.

Ondanks een niet-wijzigingsbeding kan op verzoek van een der partijen de overeenkomst toch door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zó ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden(*1).

Onlangs heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 juni 2015 uitspraak gedaan inzake een beroep op herbeoordeling van de overeengekomen alimentatie. In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Volgens de man is er sprake van een ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW. Hij baseerde dit op de volgende wijzigingen: de kinderen van partijen wonen inmiddels niet meer bij de vrouw maar bij de man, de verdiencapaciteit van de man zou zijn verminderd, de behoeftigheid van de vrouw is verminderd doordat zij een arbeidscontract voor langere duur heeft gekregen, de man woont niet meer samen met zijn (nieuwe) partner en de voormalige echtelijke woning is verkocht voor ruim € 60.000,- minder dan waar de man ten tijde van de met de vrouw gesloten overeenkomst rekening mee had gehouden. De Rechtbank Noord-Nederland heeft in de bestreden beschikking geconcludeerd dat er een wijzigingsgrond aanwezig was en de partneralimentatie met ingang van 6 januari 2014 op nihil gesteld ondanks het niet wijzigingsbeding. Het hof kwam echter tot een andere conclusie.

Het hof oordeelde dat er voor een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW volgens vaste rechtspraak sprake moet zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Het zou in hoge mate onbillijk moeten zijn als (in dit geval) de vrouw de man aan het beding zou houden. Daarbij moet in aanmerking worden genomen wat partijen destijds aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. Niet alleen moet onderzoek worden gedaan naar de feitelijke financiële omstandigheden van dat moment, maar ook naar alle andere relevante omstandigheden.

Aan de partij die om wijziging van de alimentatie verzoekt worden zware eisen gesteld voor de stelplicht. De wijziging moet immers worden bezien in het licht van de overeenkomst waarin nu juist een uitdrukkelijk beding is opgenomen dat deze overeenkomst niet op grond van een wijziging van omstandigheden voor wijziging vatbaar is. Het hof stelt in deze zaak voorop dat partijen het beding in 2010 zijn overeengekomen en dat derhalve beoordeeld dient te worden of er ten opzichte van de situatie in 2010 sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. In dit kader is niet van belang wie destijds om opneming van het beding heeft verzocht.

Ten aanzien van de door de man gestelde wijzigingen van omstandigheden oordeelt het hof als volgt.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het minderjarige kind inmiddels weer bij de vrouw woont. Het hof is van oordeel dat de (tijdelijke) wijziging van de verblijfplaats van de kinderen in het onderhavige geval (mede gelet op de moeizame verhouding tussen partijen) niet als een onvoorzienbare omstandigheid kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de wijziging in verdiencapaciteit blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgaven niet dat het inkomen van de man sinds 2010 is gedaald. Ook ten aanzien van de overige aangevoerde wijzigingen van omstandigheden heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende aangetoond dat door deze wijzigingen een volkomen wanverhouding is ontstaan. Een stijging van het inkomen van de vrouw kan immers slechts van invloed zijn op het niet-wijzigingsbeding indien er aan haar zijde sprake zou zijn van een ingrijpende wijziging van haar inkomen en daarmee van haar behoeftigheid. Een dergelijke wijziging acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden.

Het voorgaande geeft aan dat partijen zich bewust moeten zijn van de gevolgen van een niet-wijzigingsbeding in een echtscheidingsconvenant. Aangeraden wordt dan ook om in het convenant te vermelden wat de omstandigheden van beide partijen zijn ten tijde van het opmaken van het convenant en wat de bedoeling is van partijen bij het opnemen van het beding. Ook kan worden opgenomen bij welke gewijzigde omstandigheden een wijziging van de partneralimentatie met name niet of wel mogelijk is. Indien u meer wil weten over de mogelijkheden om een niet-wijzigingsbeding  op te nemen in een echtscheidingsconvenant en de gevolgen ervan, kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Vindplaats: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4919  

Klik hier om de betreffende brief van de staatssecretaris van financiën te lezen.

 

 

(*1) Art. 1:159 lid 3 BW.