Afschaffing van kortingsregeling op fictieve opzegtermijn

woensdag, 16 januari 2013

Op 18 december jl. is het wetsvoorstel Wijziging Regelingen UWV aangenomen in de Eerste Kamer. Daardoor behoort de korting op de fictieve opzegtermijn door het voeren van een pro forma ontbindingsprocedure tot het verleden.

In het voormalig artikel 16 lid 3 WW was een kortingsregeling voor het berekenen van de fictieve opzegtermijn opgenomen. De fictieve opzegtermijn is de “wachttijd” die het UWV hanteert bij het bepalen van de ingangsdatum van de te ontvangen WW-uitkering. In geval van opzegging van het dienstverband middels een verkregen ontslagvergunning of een ontbinding van de arbeidsovereenkomst gold op grond van dit artikel dat op de fictieve opzegtermijn één maand in mindering mocht worden gebracht (indien de werknemer althans een beëindigingsvergoeding ontvangt). Deze aftrek van één kalendermaand gold echter niet bij een beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden (door het sluiten van een beëindigingsovereenkomst / vaststellingsovereenkomst).

Door de korting van één maand kon de arbeidsovereenkomst één maand eerder worden beëindigd en kreeg de werknemer aansluitend een WW-uitkering (indien de werknemer ook aan alle voorwaarden voldoet, die de WW daaraan stelt).

Artikel 16 lid 3 WW is per 1 januari 2013 vervallen: de kortingsregel bij een pro forma ontbindingsprocedure of een ontslagvergunningsprocedure via het UWV WERKbedrijf geldt dus per die datum niet meer. Dat betekent dat de einddatum van de arbeidsovereenkomst ook niet meer met één maand kan worden vervroegd.

Het doel van het laten vervallen van artikel 16 lid 3 WW is om het aantal pro forma ontbindingsprocedures sterk terug te dringen vanuit oogpunt van bezuinigingen. Het recht op WW-uitkering gaat door het vervallen van de kortingsregel één maand later in. Dit, in combinatie met het feit dat veel mensen vanuit de WW weer gaan werken voordat de uitkeringsduur volledig is verstreken, leidt tot een besparing op uitkeringslasten en uitvoeringskosten.

Alleen voor beëindigingregelingen die in 2012 zijn gesloten en waarbij het pro forma verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog vóór 31 december 2012 is ingediend, geldt de overgangsregeling, namelijk dat de maand korting nog wél van toepassing is.

De procedure van de pro forma ontbinding zal hierdoor niet volledig verdwijnen. Er kunnen nog andere redenen zijn om een pro forma ontbindingsprocedure te voeren. Bijvoorbeeld, voor de werkgever het belang van het beperken van de mogelijkheid van het beroep van de werknemer op bijvoorbeeld een wilsgebrek. Ook voor de werknemer kan een voordeel kleven aan het voeren van een pro forma ontbindingsprocedure, namelijk dat de werknemer beschikt over een executoriale titel voor de betaling van de ontbindingsvergoeding. De pro forma ontbindingsprocedure kan dus nog steeds worden gevoerd; alleen de maand korting geldt dan niet meer.

Auteur