Afrekenen in afwijking van huwelijksvoorwaarden

vrijdag, 10 juli 2009

Wanneer men bij aanvang of staande het huwelijk huwelijksvoorwaarden laat opmaken en er volgt later een echtscheiding, dan is de logische gedachte dat partijen uit elkaar gaan op grond van de tussen hen overeengekomen huwelijksvoorwaarden. Waarvoor anders heeft men immers de huwelijksvoorwaarden laten opmaken? De praktijk wijst echter uit dat huwelijksvoorwaarden allerminst impliceren dat er nooit van deze voorwaarden kan worden afgeweken. 

De huwelijksvoorwaarden kunnen inhouden dat er tussen partijen geen enkele gemeenschap bestaat, de zogenaamde koude uitsluiting. Beide partijen houden dan alles wat ze bezitten en wat ze nog zullen verwerven in privé. Ook kan men in de huwelijksvoorwaarden deze uitsluiting van iedere gemeenschap combineren met een periodiek verrekenbeding dat als het ware de kou uit de lucht haalt. Overgespaarde inkomsten worden dan alsnog tussen de echtgenoten verdeeld. Van beide soorten huwelijksvoorwaarden zijn voorbeelden uit de rechtspraak van ons hoogste rechtscollege bekend, waarin bij het einde van het huwelijk de inhoud van deze voorwaarden opzij wordt gezet. De vermogensscheiding vindt dan dus niet plaats conform huwelijksvoorwaarden.

De Hoge Raad moest in het arrest Lindner/Mannaerts [1] oordelen over echtgenoten die gehuwd waren met uitsluiting van iedere gemeenschap, waaraan een periodiek verrekenbeding van overgespaarde inkomsten was toegevoegd. De echtgenoten hielden zich tijdens het huwelijk niet aan de inhoud van hun huwelijksvoorwaarden, omdat zij nooit overgingen tot verrekening en zij hielden ook geen administratie bij waaruit kon worden afgeleid hoe er verrekend diende te worden. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kwam de Hoge Raad tot de slotsom dat dan de vermogensbestanddelen, waarvan niet kon worden vastgesteld dat zij naar de bedoeling van partijen zonder recht op verrekening toebehoorden aan één der echtgenoten, tussen partijen verdeeld moesten worden alsof deze bestanddelen aan hen gemeenschappelijk toebehoorden. Het gedrag van de echtelieden tijdens hun huwelijk dat afweek van de huwelijksvoorwaarden, rechtvaardigde aldus dat op grond van de redelijkheid en billijkheid die voorwaarden bij het einde van het huwelijk opzij gezet konden worden. Een verrassende uitspraak.

Een minstens zo verrassende uitspraak van de Hoge Raad verscheen in 2004 [2]. In die zaak hadden de echtgenoten staande hun huwelijk huwelijksvoorwaarden in de vorm van koude uitsluiting gemaakt. Partijen bleven zich echter gedragen alsof de tussen hen bestaan hebbende gemeenschap er nog steeds was. De Hoge Raad oordeelde dat de huwelijksvoorwaarden daardoor niet opzij gezet kunnen worden. Echter, de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen dit volgens de Raad wel. Een krachtens een overeenkomst van huwelijksvoorwaarden tussen partijen geldende regel is immers niet toepasselijk indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij kan belang worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijksvoorwaarden. Aldus de Hoge Raad.

Ook in de lagere rechtspraak verschijnt er zo nu en dan een uitspraak waarbij het onaanvaardbaar wordt geacht om partijen aan de huwelijksvoorwaarden te houden. Factoren die daartoe (mede) aanleiding kunnen geven zijn naast het reeds genoemde onderling overeenstemmend gedrag en de bedoeling van partijen bijvoorbeeld het gedurende vele jaren onbezoldigd meewerken van de ene echtgenoot in de onderneming van de ander, het zorgen voor de kinderen om de ander in staat te stellen het brood op de plank te krijgen en het niet bewust zijn van het niet meedelen in het vermogen van de ander bij ontbinding van het huwelijk omdat gedacht werd dat alles gemeenschappelijk was[3].

Ook komt het voor dat niet over het gehele vermogen moet worden afgerekend als ware er sprake van een gemeenschap van goederen, maar slechts met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen zo afgerekend dient te worden. Zo kwam het onlangs voor dat de man weliswaar de woning in eigendom had, maar dat hij toch de overwaarde ervan met zijn vrouw moest verrekenen in afwijking van de koude uitsluiting die tussen partijen gold [4]. Gronden die daarvoor aanleiding gaven, waren het feit dat de vrouw vanaf de aankoop hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypothecaire geldlening waarmee de woning was gefinancierd, het feit dat de man geen eigen vermogen in de aankoop van de woning had geïnvesteerd, de woning immer heeft gediend voor gezamenlijke bewoning en partijen altijd gezamenlijk de lasten verbonden aan de woning hadden voldaan. De opbrengst uit de verkoop van deze woning is vervolgens door de man geïnvesteerd in de echtelijke woning die wel op beider naam stond. Het hof oordeelde dus dat de man dit bedrag op grond van de vermelde omstandigheden niet alleen toekwam. De vrouw deelde mee in de volledige overwaarde van de echtelijke woning zonder dat de man een vergoedingsrecht had voor het door hem geïnvesteerde bedrag.

Voorts is in dit verband van belang te benadrukken dat wanneer partijen besluiten in koude uitsluiting met elkaar te huwen, ze zich ook dienovereenkomstig gedragen, willen ze niet voor verrassingen komen te staan bij ontbinding van het huwelijk. Dat bleek eens te meer uit een andere, recentelijk verschenen, uitspraak van het gerechtshof Amsterdam[5]. In die zaak waren beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de echtelijke woning en was de hypothecaire lening op beider naam afgesloten. De man had gedurende het huwelijk veruit het grootste deel van het inkomen verworven en naar zijn zeggen ook vrijwel de gehele hypothecaire lening afgelost. Echter, de lening was afgelost van de gezamenlijke en/of-rekeningen waarvan partijen niet nader konden specificeren wie voor welk deel en op welk moment in het saldo van de verscheidene en/of-rekeningen was gerechtigd. Door het ontbreken van die specificaties oordeelde het hof dat ieder van partijen voor de helft gerechtigd was in het saldo van deze rekeningen, zodat de aflossingen door hen beiden voor een gelijk deel zijn gedragen. De man kwam aldus geen vergoedingsrecht jegens de vrouw toe voor de door hem zelf beweerdelijk afgeloste hypotheekschuld. De premies voor de levensverzekering op naam van de man die ook betaald werden van de en/of-rekeningen van partijen, werden door het hof op soortgelijke wijze beoordeeld en werden dus ook geacht door de vrouw voor de helft te zijn gedragen. Haar kwam een vergoedingsrecht toe voor de nominale waarde van het bedrag van de te haren laste betaalde premies. Zij had echter geen aanspraak op de waardevermeerdering van de polis.

Conclusie

Uit het bovenstaande blijkt het belang van het gedrag van echtgenoten dat in overeenstemming met de huwelijksvoorwaarden moet zijn, wil men voorkomen dat er alsnog bij het einde van het huwelijk afgerekend moet worden als ware er sprake van een gehele of gedeeltelijke gemeenschap van goederen. Als partijen kiezen voor gescheiden vermogens, moeten ze deze ook daadwerkelijk gescheiden houden en zich daarnaar gedragen, hoe onpraktisch dit ook moge zijn. De gemaakte huwelijksvoorwaarden blijven te allen tijde het uitgangspunt voor de huwelijksvermogensrechtelijke verdeling, maar zoals uit de aangehaalde jurisprudentie blijkt, is het zeer wel mogelijk dat de huwelijksvoorwaarden door de feitelijke omstandigheden opzij worden gezet. Dat de rechtszekerheid daarbij in het gedrang komt, lijkt steeds vaker door de rechterlijke macht voor lief te worden genomen.

[1] HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93
[2] HR 18 juni 2004, NJ 2004, 399
[3] Rechtbank Leeuwarden, 14 januari 2009, RFR 2009/50
[4] Gerechtshof Amsterdam, 28 augustus 2008, LJN: BH6288
[5] Gerechtshof Amsterdam, 7 april 2009, LJN: BI1621