Advies CBP over wetsvoorstel publicatie camerabeelden van strafbare feiten door burgers

donderdag, 3 september 2015

Minister van Veiligheid en Justitie, van der Steur, wil dat particulieren en bedrijven bij bepaalde strafbare feiten camerabeelden van verdachten mogen publiceren. In een eerder artikel hebben we u geïnformeerd over de inhoud van dit wetsvoorstel. Inmiddels heeft het CBP zich in diens wetgevingsadvies vernietigend over de plannen uitgelaten. Het wetsvoorstel is volgens het CBP in strijd met artikel 8 EVRM (recht op bescherming persoonlijke levenssfeer). Het CBP adviseert de minister met klem om het wetsvoorstel niet in te dienen. Tijd voor een update!  

Inhoud wetsvoorstel

Hoe zat het ook al weer? Op dit moment verbiedt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) het verwerken van strafrechtelijke persoonsgegevens (zoals camerabeelden van verdachten) door burgers en particulieren. Daarin wil de regering verandering brengen. Het zou voor burgers en particulieren mogelijk moeten worden om camerabeelden te publiceren indien:

  • daarop (duidelijk) te zien is dat het gaat om diefstal (zonder geweld of bedreiging met geweld), vernieling, beschadiging, onbruikbaarmaking of wegmaking van een goed, mits;
  • deze publicatie (verwerking) geschiedt ter ondersteuning van de opsporing en mits;
  • voorafgaand aan publicatie aangifte is gedaan bij de politie en daarbij de camerabeelden ter beschikking zijn gesteld. 

Een nadere toelichting bij deze vereisten treft u in genoemd artikel 

CBP: wetsvoorstel in strijd met EVRM

Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (recht op privacy) komt voort uit artikel 8 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Nederland is aan dit verdrag gebonden. 

Op grond van het EVRM mag het recht op privacy slechts bij wet worden beperkt, indien dat noodzakelijk is in (onder meer) het belang van de openbare veiligheid. Deze noodzakelijkheidseis wordt streng ingekleurd: er moet ten minste sprake zijn van een “pressing social need” (dringende maatschappelijke behoefte). Daarnaast moet de beperking van het recht op privacy evenredig zijn aan het nagestreefde doel (eis van proportionaliteit) en moet er geen andere, minder inbreukmakende manier zijn om dit doel te bereiken (eis van subsidiariteit). Bovendien moet de wet waarin de beperking van het recht op privacy is vastgelegd, afdoende waarborgen bevatten om willekeur en misbruik te voorkomen.  

Het wetsvoorstel voldoet volgens CBP aan géén van deze vereisten en is daarom in strijd met het EVRM.  

Geen pressing social need

Allereerst oordeelt het CBP dat de regering niet aantoont dat sprake is van een dringende maatschappelijke behoefte. De regering heeft haar opmerkingen dat het wetsvoorstel onder meer nodig zou zijn vanwege de breed gevoelde maatschappelijke behoefte aan meer veiligheid en het ongebruikte opsporingspotentieel, niet onderbouwd. Het CBP vindt dat het wetsvoorstel extra zwaar aan het EVRM moet worden getoetst omdat het primaat ten aanzien van de opsporing erdoor wordt geraakt en het ingrijpende gevolgen heeft voor de persoonlijke levenssfeer van degene(n) die op de camerabeelden voorkomt (voorkomen). Het CBP concludeert dat de regering de vereiste maatschappelijke (nut en) noodzaak niet (voldoende) heeft onderbouwd.  

Strijd met proportionaliteitsbeginsel

Daarnaast oordeelt het CBP dat het wetsvoorstel niet voldoet aan het proportionaliteitsvereiste. Onder meer is niet als eis gesteld dat voor publicatie wordt gecontroleerd of de gefilmde persoon al bekend is bij de politie (zodat publicatie achterwege kan blijven). Ook weegt het CBP mee dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de burgers op de camerabeelden groot is, terwijl a) het gaat om relatief ‘lichte’ strafbare feiten en b) de publicatie voor burgers grote negatieve gevolgen kan hebben. Denk aan: stigmatisering (eens op internet, altijd op internet) en het gevaar van represailles c.q. eigenrichting.   

Terzake deze gevaren is de regering volgens het CBP in feite te laconiek geweest. De gevolgen worden onvoldoende meegewogen en door de regering feitelijk gekwalificeerd als (voor lief te nemen) “onvermijdelijkheden”. Het gevaar op eigenrichting wordt onderkend, maar acht de regering “aanvaardbaar”. Een onderbouwing voor deze conclusies ontbreekt. De consequenties voor personen die onterecht als verdachte worden aangemerkt door individuele burgers, zijn (zelfs) geheel niet meegewogen. Al met al concludeert het CBP dat de regering geheel aan de proportionaliteitseis voorbij is gegaan.   

Strijd met subsidiariteitsbeginsel

Ook de vraag of het wetsvoorstel voldoet aan de eis van subsidiariteit, is volgens het CBP niet beantwoord. De regering merkt enkel op dat het huidige normenkader (verbod verwerking strafrechtelijke persoonsgegevens) “nauwelijks werkbaar” is en “niet passend in deze tijd”. Een toelichting waarom het beoogde doel niet op een minder inbreukmakende manier kan worden bereikt, ontbreekt. Dit terwijl het CBP zelf wel wat mogelijkheden daartoe ziet, zoals: het aanleveren van de beelden bij de politie, zodat het primaat om te bepalen of de beelden aan de eisen uit het wetsvoorstel voldoen en openbaar gemaakt dienen te worden bij de politie en het OM blijft.  

Onvoldoende waarborgen

Dat er geen voorafgaande toetsing plaatsvindt door een overheidsorgaan of de camerabeelden van particulieren wel aan de eisen van het wetsvoorstel voldoen, is het CBP überhaupt een doorn in het oog. Volgen het CBP is (mede) daardoor onvoldoende sprake van waarborgen die willekeur en misbruik moeten voorkomen. Een voorafgaande inhoudelijke beoordeling van de beelden door de politie acht het CBP in dat kader essentieel. Het is volgens het CBP onverantwoord om deze verantwoordelijkheid bij burgers te leggen, te meer omdat de wettelijke eisen (anders dan de regering stelt) niet helder zijn en aanleiding kunnen geven tot discussie. In het bijzonder speelt hierbij een rol dat de gevolgen van publicatie voor onder meer ten onrechte als verdachte aangemerkte personen en  per ongeluk herkenbare voorbijgangers op beelden zeer groot zijn.  

Tot slot acht het CBP het niet reëel dat het toezicht en de handhaving op naleving van het wetsvoorstel bij hem wordt neergelegd. Onder meer zou dat ertoe leiden dat het CBP moet beoordelen of op camerabeelden te zien is dat de verdachte zich schuldig maakt aan een strafbaar feit (hetgeen een strafrechtelijk oordeel inhoudt) en of de identiteit van de betrokkene werkelijk niet bekend was bij de burger/het bedrijf dat de beelden publiceert. Het CBP is van mening dat dit niet hoort bij zijn takenpakket. 

Vervolg?

Op dit moment is (nog) niet duidelijk welke gevolgen de minister verbindt aan het negatieve advies van het CBP. Zodra zich nieuwe ontwikkelingen voordoen, geven wij u een update.