Aansprakelijkheid groepsmaatschappij voor kartel grootmoeder

donderdag, 28 maart 2013

Kartelboetes zijn fors. De reden daarvoor is simpel: een kartel richt vaak grote schade aan. Hoge kartelboetes dragen bij aan het door de (Europese) wetgever beoogde afschrikwekkende effect. Maar daar stopt het niet. Kartelslachtoffers kunnen vervolgens hun schade in een civiele procedure verhalen op de karteldeelnemers. Steeds vaker starten kartelslachtoffers dergelijke procedures. Denk aan de procedure die Dell onlangs aankondigde tegen Philips. Of aan de Nederlandse procedure van 140 benadeelde bedrijven tegen een Europees luchtvrachtkartel (Rechtbank Amsterdam, LJN: BV8444).

De civielrechtelijke handhaving van Europees mededingingsrecht past in het beleid van de Europese Commissie om de positie van kartelslachtoffers versterken. De rechtbank Oost-Nederland heeft door middel van een recent vonnis daaraan zijn steentje bijgedragen (LJN: BZ0403). Wij bespreken hier één element uit dat vonnis, namelijk de aansprakelijkheid van groepsmaatschappijen voor door de (groot)moeder gemaakte kartelafspraken.

De casus

Allereerst kort de casus. In 1993 kocht TenneT van ABB BV een kostbare installatie van gasgeïsoleerd schakelmateriaal (GGS). De desbetreffende markt bleek achteraf te worden beheerst door een wereldwijd kartel. Tot de karteldeelnemers behoorde ook ABB Ltd, de grootmoedermaatschappij van ABB BV.

De Europese Commissie bracht dit kartel binnen de EU aan het licht en legde kartelboetes op. De boetebeschikking vermeldde slechts ABB Ltd. Dat weerhield TenneT er echter niet van nadien een civiele bodemprocedure aan te spannen tegen ABB BV (haar contractspartij), ABB Holdings BV (de moedermaatschappij) en ABB Ltd.

Het oordeel

De rechtbank wees de vordering van TenneT grotendeels toe.

ABB Ltd had volgens de rechtbank zonder meer onrechtmatig gehandeld. De boetebeschikking van de Europese Commissie was inmiddels onherroepelijk geworden en daarmee stond onrechtmatige daad vast. Het staat de Nederlandse rechter niet vrij – op grond van gemeenschapstrouw – van een dergelijk Europees oordeel af te wijken.

ABB BV bleek op grond van artikel 6:102(2) BW en/of artikel 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) naast ABB Ltd hoofdelijk aansprakelijk te zijn jegens TenneT. Daarbij ging de rechtbank voorbij aan argumenten van ABB BV dat zij niet werd genoemd in de boetebeschikking en dat de GGS-installatie in het kartelonderzoek niet ter sprake was gekomen.

ABB Holdings BV ontsprong daarentegen de dans. Zij had kartelafspraken gemaakt noch uitgevoerd. Sterker nog: zij bestond in de kartelperiode nog niet. Daarom wees de rechtbank de vorderingen jegens haar af.

Groepsaansprakelijkheid bij kartels

Voor zover ons bekend wordt in deze zaak voor het eerst de toepassing aanvaard van artikel 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) in de context van de civielrechtelijke handhaving van Europees mededingingsrecht. In de jurisprudentie en literatuur wordt reeds verdedigd dat artikel 6:166 BW ook opgeld kan doen voor rechtspersonen en niet beperkt is tot louter fysieke handelingen. Voor een uitgebreide analyse verwijzen wij naar het artikel van N. Peters en M. Goorts, ‘Artikel 6:166 BW: onbekend maakt onbemind?’ in AV&S 2012/21.

Het onderhavige vonnis bewijst dat een kartelslachtoffer niet alleen zijn (contractuele) wederpartij kan aanspreken, maar ook andere groepsmaatschappijen. Verdedigbaar is ook dat een kartelslachtoffer op grond van artikel 6:166 BW het hele kartel kan aanspreken. Mogelijk zelfs bestuurders en feitelijk leidinggevenden van de deelnemende bedrijven. Voor kartelslachtoffers biedt dat aanzienlijk voordelen. Voor een karteldeelnemer is het een extra waarschuwing: hij en zijn groepsmaatschappij(en) kunnen ook worden blootgesteld aan civielrechtelijke aansprakelijkheid.