Aanscherping contouren van het Amsterdams verrekenbeding

zaterdag, 17 mei 2003

In maart 1998 publiceerde EchtscheidingBulletin mijn artikel over de grenzen van het Amsterdams verrekenbeding. Daarin gaf ik de ontwikkeling in de jurisprudentie rond dat verrekenbeding, zoals die ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de jaren 1995 tot en met 1997 (eindigende met het arrest van de Hoge Raad inzake Bal/Keller d.d. 3 oktober 1997, RvdW 1997, 187) weer. Mevrouw mr. M.A. Zon schreef in haar artikel “de DGA en het Amsterdams verrekenbeding”, dat in Echtscheiding-Bulletin van mei ’98 werd gepubliceerd, onder meer over het in kort geding gewezen arrest van het Hof Amsterdam d.d. 20 november 1997. Inmiddels is er iets meer duidelijkheid, nu de Gerechtshoven Amsterdam en ‘s-Hertogenbosch opnieuw hebben gesproken. Voor nog meer duidelijkheid zal de Hoge Raad moeten zorgen.

Hoge Raad Bal/Keller I

Ik roep nog even de belangrijkste achtergronden van de zaak Bal/Keller in herinnering. De heer Bal en mevrouw Keller zijn op 31 juli 1970 met elkaar gehuwd. Bij akte huwelijkse voorwaarden bepaalden zij onder meer: “Hetgeen aan het einde van elk kalenderjaar van die gezamenlijke inkomsten, na aftrek der in het eerste lid bedoelde uitgaven, overblijft, zal voor de ene helft toekomen aan de man en voor de wederhelft aan de vrouw en te hunner vrije beschikking staan”. De vrouw genoot gedurende het huwelijk geen inkomsten. De man wel. Partijen hebben nimmer hun onverteerde inkomsten verdeeld.

De man en zijn broer houden de helft van de aandelen in een besloten vennootschap. De man heeft die aandelen geërfd. De vraag was, of de waarde van die aandelen (en de vrouw sprak over “opgepotte winsten”) in de verrekening tussen partijen behoorde te worden betrokken. De man vond, dat het door hem in de loop der jaren opgebouwde vermogen (waaronder de helft van de aandelen in de B.V.) niet is ontstaan door besparing uit inkomen of belegging daarvan, doch uitsluitend door erfenissen of schenkingen, die niet voor verrekening in aanmerking komen. Die erfenissen of schenkingen kunnen niet worden beschouwd als inkomsten in de zin van de huwelijkse voorwaarden.

Auteur