Kennisbank

Is ‘kwijting’ ook altijd ‘kwijtschelding’?

Geschreven door Banning | 18-jun-2026 7:09:22

Inleiding

‘Kwijting’ is nog geen ‘kwijtschelding’. Een kwijting of kwijtschelding als onderdeel van een (vaststellings)overeenkomst moet net als elke andere bepaling in een overeenkomst worden uitgelegd, wanneer partijen over die uitleg van mening verschillen.

Aan de hand van een recente uitspraak van het Hof Amsterdam (9 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1567) zal dat hierna geïllustreerd worden.

Waar gaat de zaak over?

Partijen hebben op 12 september 2016 een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan X jeugd- en toptalenten heeft gescout voor Y. De scoutingsovereenkomst is na 1 september 2020 niet verlengd. In 2022 zijn twee door X bij Y aangebrachte spelers getransfereerd naar Manchester United. Op grond daarvan heeft X aanspraak gemaakt op een aanvullende vergoeding. Y heeft dat geweigerd. Volgens Y kan X geen rechten meer ontlenen aan de scoutingsovereenkomst, omdat X zich akkoord heeft verklaard met een brief van Y van 11 juni 2020 die heeft te gelden als een beëindigingsovereenkomst met een finale kwijtingsbepaling. Volgens X heeft deze brief niet deze verstrekkende betekenis. Daarmee is slechts kwijting verleend voor de betalingen die Y was verschuldigd tot aan het moment van ondertekening van deze brief.

De feiten

In de scoutingsovereenkomst is in artikel 5.3 bepaald dat X onder bepaalde voorwaarden recht heeft op een aanvullende vergoeding op het moment dat een door haar voor Y gescoute voetballer wordt getransfereerd naar een andere voetbalclub:

“Indien een door X gescoute speler (als bovenbedoeld) naar Y wordt getransfereerd en deze wordt binnen een periode van vier jaar na zijn indiensttreding door Y wordt getransfereerd naar een andere club (“de Toekomstige Transfer”), dan zullen partijen per keer een afspraak maken over een door Y te betalen aanvullende vergoeding, mits Y een netto bedrag aan de Toekomstige Transfer heeft overgehouden. Daarvan is alleen sprake als de Toekomstige Transfersom die Y heeft ontvangen hoger is dan alle kosten en betalingen in verband met de speler die ten laste van Y zijn gekomen (vast bruto jaarsalaris en wedstrijdpremies van de speler daaronder niet begrepen).

[Opm. een percentage van het netto door Y overgehouden bedrag kan niet worden afgesproken, want dat zou een door de FIFA en KNVB reglementen verboden afspraak zijn. Wel kan per keer, nadat de Toekomstige Transfer heeft plaatsgevonden, een vast bedrag worden afgesproken dat niet gelijk staat aan een percentage van de transfersom. Een rekenvoorbeeld is bijgevoegd].”

De scoutingsovereenkomst is na 1 september 2020 niet verlengd. In 2022 zijn twee spelers die door X voor Y waren gescout en met Y een arbeidsovereenkomst hadden door Y getransfereerd naar Manchester United. Het gaat om A en B.

X heeft naar aanleiding van de transfers van A en B bij Y aanspraak gemaakt op een vergoeding op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. Y heeft dat geweigerd. Zij beroept zich op een brief van 11 juni 2020 van Y aan X die door X voor akkoord is ondertekend. Volgens Y is met deze brief tot uitdrukking gebracht dat Y geen enkele huidige of toekomstige betalingsverplichting meer jegens X heeft. Deze brief luidt als volgt:

“Hierbij de bevestiging dat de lopende Opdrachtovereenkomst per 1 september 2020 tot een einde komt en na die datum niet zal worden verlengd.

Tevens de bevestiging dat Y alle betalingen onder de Opdrachtovereenkomst heeft voldaan en dat jullie Y volledige en finale kwijting verlenen.

Graag ontvangen we ter bevestiging een ondertekend exemplaar van deze brief retour.”

Op 29 september 2020 heeft X de volgende e-mail gestuurd:

“Op 11 juni 2020 hebben wij de bevestiging getekend dat Y alle betalingen onder de opdrachtovereenkomst heeft voldaan en wij Y volledige kwijting verlenen.

Uiteraard is dat correct met uitzondering van artikel 5.3 in de beëindigde overeenkomst, namelijk dat spelers die door ons zijn aangebracht er nog een uitloop termijn is van 4 jaar, dit gaat volgens ons op dit moment nog op voor: (…)”

Juridisch kader

Het antwoord op de vraag of X haar aanspraken op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst heeft prijsgegeven, hangt af van hetgeen X en Y daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en in de gegeven omstandigheden over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Met betrekking tot de brief van 11 juni 2020 geldt dat de uitleg daarvan geschiedt volgens de maatstaf die inhoudt dat bepaald moet worden wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van deze brief mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Als uitgangspunt geldt dat het verlenen van kwijting niet hetzelfde is als een kwijtschelding. Het begrip ‘kwijting’ ziet op de verklaring van de schuldeiser dat een bepaalde schuld is voldaan. In de praktijk gaat het vaak om de verklaring dat een bepaalde betaling heeft plaatsgevonden. Het ondertekende document, waaruit die verklaring blijkt, wordt een kwitantie genoemd. Een schuldeiser is verplicht voor iedere voldoening van een schuld een kwitantie af te geven. Kwijting heeft een bewijsrechtelijke functie: met het ondertekende geschrift kan een voldoening van een verbintenis worden bewezen.

Kwijtschelding is het geheel of gedeeltelijk afzien van een schuld of verplichting. Het wettelijke begrip daarvoor is ‘afstand’. Een verbintenis gaat teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Een aanbod van een schuldeiser om afstand te doen van zijn vordering zal door de schuldenaar moeten worden aanvaard. Bij een afstand om niet (dat is: zonder tegenprestatie) geldt een aanbod van een schuldeiser om afstand te doen van een vorderingsrecht als aanvaard, als de schuldenaar kennisneemt van het aanbod en dat niet onverwijld heeft afgewezen.

Kwijting houdt dus in beginsel niet meer in dan de verklaring ten bewijze dat een betaling heeft plaatsgevonden, waartegen tegenbewijs openstaat. In een dergelijke verklaring ligt niet zonder meer tevens een kwijtschelding besloten. Voor afstand (kwijtschelding) is vereist dat partijen zijn overeengekomen dat een verschuldigd bedrag niet geheel hoeft te worden voldaan, of dat zij, bij wijze van een vaststellingsovereenkomst, aan enige onzekerheid over de verschuldigdheid ervan een einde hebben willen maken.

Geen kwijtschelding (afstand) overeengekomen

Op grond van de bewoordingen van de brief van 11 juni 2020 is het hof van oordeel dat daarin niet méér gelezen kan worden dan dat X kwijting verleent. Het gaat om de zin: “Tevens de bevestiging dat Y alle betalingen onder de Opdrachtovereenkomst heeft voldaan en dat jullie Y volledige en finale kwijting verlenen.” Daarmee wordt X gevraagd om te bevestigen dat Y alle betalingen onder de scoutingsovereenkomst heeft voldaan en dat volledige en finale kwijting wordt verleend.

Hieruit volgt dat kwijting verlenen en een kwitantie afgeven in beginsel alleen betrekking heeft op schulden die zijn voldaan. Op grond van de scoutingsovereenkomst was Y gehouden om aan X jaarlijks betalingen te verrichten, zodat kwijting hiervoor voor de hand ligt bij beëindiging van de scoutingsovereenkomst.

De vordering tot betaling in verband met de transfers van A en B ontstond pas in 2022 en daarover kon X in juni 2020 niet verklaren of bevestigen dat deze schuld door Y was voldaan en daarvoor kwijting verlenen. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat niet kan worden aangenomen dat de gegeven kwijting op deze schuld van Y betrekking heeft.

In de brief van 11 juni 2020 valt volgens het hof niet te lezen dat X verklaart of bevestigt afstand te doen, te willen doen, of te hebben gedaan van bepaalde vorderingen, daaronder begrepen eventuele toekomstige vorderingen op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. De akkoordverklaring van X heeft niet de strekking van een kwijtschelding. De bewoordingen ‘volledige en finale kwijting’ wijzen daar volgens het hof ook niet op. In het geven van ‘volledige en finale kwijting’ voor alle voldane betalingen onder de scoutingsovereenkomst ligt geen afstand door X besloten van haar eventuele toekomstige vorderingsrechten onder de scoutingsovereenkomst.

De brief van 11 juni 2020 heeft blijkens de bewoordingen daarvan volgens het hof ook niet de strekking van een beëindigingsovereenkomst of vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn en waren het erover eens dat de scoutingsovereenkomst eindigde door het verlopen van de overeengekomen termijn en dus niet opgezegd of beëindigd hoefde te worden. Met de brief wordt enkel bevestigd dat de scoutingsovereenkomst per 1 september 2020 eindigt en dan niet zal worden verlengd. In de brief worden volgens het hof evenmin bewoordingen gebruikt die wijzen op een onzekerheid of geschil met het oog waarop een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Tussen partijen bestond ten tijde van het opstellen en ondertekenen van de brief van 11 juni 2020 ook geen geschil over de wederzijdse verplichtingen onder de scoutingsovereenkomst en de nakoming daarvan.

Dat Y de brief van 11 juni 2020 heeft bedoeld als een beëindigingsovereenkomst, waarmee toekomstige vorderingen zouden worden kwijtgescholden, leidt volgens het hof niet tot een ander oordeel. Kwijtschelding van toekomstige schulden (afstand) moet door partijen worden overeengekomen. De afstand van de toekomstige vordering die is gegrond op artikel 5.3 kan in potentie een flinke vordering betreffen; daarover moet in ieder geval van de zijde van X wel wilsovereenstemming bestaan om die aanspraak prijs te geven. In artikel 5.3 is nu juist een ‘uitlooptijd’ van vier jaren opgenomen bij een transfer die voor Y tot een positief netto resultaat zou leiden en waarvan X dan haar aandeel zou ontvangen. Y stelt niet dat zij X heeft gevraagd om afstand te doen van deze bepaling. In de brief valt deze gestelde bedoeling van Y volgens het hof niet te lezen. Dat ligt niet besloten in het verlenen van kwijting voor voldane schulden, want “de (toekomstige) schuld” uit artikel 5.3 was immers (nog) niet voldaan.

Met de e-mail van 29 september 2020 is door X aan Y meegedeeld dat de kwijting juist niet ziet op toekomstige aanspraken op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst en dat deze aanspraken dus niet zijn prijsgegeven. Op grond van deze e-mail kan volgens het hof niet worden geconcludeerd dat X had begrepen dat zij haar toekomstige rechten had prijsgegeven en evenmin dat deze e-mail was bedoeld om daarvan terug te komen. Het hof leest en begrijpt deze e-mail meer in het kader van het aankaarten van een mogelijke onduidelijkheid over de kwijting in verband met de beëindiging van de scoutingsovereenkomst, mede gezien het feit dat de bespreking begin juni 2020 niet lang had geduurd en artikel 5.3 geen onderwerp van bespreking is geweest. Op grond van de e-mail van 29 september 2020 mocht Y dan ook niet redelijkerwijs begrijpen dat X wist dat zij daarvan afstand had gedaan. De strekking van deze e-mail houdt het tegendeel daarvan in, namelijk dat X benadrukt dat de verleende kwijting niet geldt voor artikel 5.3, omdat voor een aantal aangebrachte spelers de termijn van vier jaar nog niet is verstreken waarbinnen nog een aanspraak op een aanvullende vergoeding kan ontstaan.

Het hof veroordeelt Y daarom om € 2.076.500,00 exclusief btw aan X te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 augustus 2022 over een bedrag van € 950.000,00 en vanaf 1 oktober 2022 over een bedrag van € 1.126.500,00.

Tip voor de praktijk

De aspecten waarvan een partij wil dat daarvoor kwijtschelding wordt verleend, moet expliciet en duidelijk worden benoemd. In de considerans van de (vaststellings)overeenkomst en in de overeenkomst zelf.

Twee aspecten zijn van belang: (1) met betrekking tot welke vorderingen wordt exact bedoeld kwijtschelding te verlenen en (2) wordt alleen gedoeld op het verleden en/of de toekomst?

Het is dus voor beide partijen van belang om goed vast te leggen welke vorderingen precies onderdeel vormen van kwijting en/of kwijtschelding.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Marc Janssen of met één van de andere leden van de sectie EU-mededinging.