» Personen- & Familierecht

De gebruiksvergoeding voor de voormalig echtelijke woning
(10 januari 2011)

Voor en tijdens de echtscheiding ontstaan er geregeld problemen over de vraag wie er (voorlopig) in de (voormalige) echtelijke woning mag blijven wonen en of daarvoor een zogenaamde gebruiksvergoeding moet worden betaald. Omdat de echtelijke woning vaak gemeenschappelijk eigendom is, hebben beide echtgenoten het recht van gebruik (en genot) van deze woning. Het behoeft weinig toelichting dat in de situatie van echtscheiding het soms onhoudbaar is om samen in de echtelijke woning te blijven wonen. De rechter kan het uitsluitend gebruik van de woning aan één van partijen toewijzen tot een half jaar na de datum van echtscheiding, waarbij hij deze partij kan verplichten de andere partij de helft van de waarde van het gebruik als vergoeding voor misgelopen genot of gebruik te betalen. De vraag óf er een vergoeding betaald moet worden, hangt volgens vaste jurisprudentie af van de omstandigheden van partijen.

De redelijkheid is bepalend voor de vraag óf er gebruiksvergoeding is verschuldigd en hoe hoog die moet zijn. Het feit dat door het voortgezet gebruik de woning niet verkocht kan worden en de andere partij zijn helft van de overwaarde niet ten gelde kan maken, waardoor hij mogelijkerwijs rente derft, vormde volgens het Hof ’s-Gravenhage, 7 mei 2008 (LJNBD 6045) op zichzelf nog geen grond voor toekenning van een dergelijke vergoeding. De vergoeding moet worden afgestemd op het geleden nadeel gedurende de periode, waarin de door de rechter getroffen voorziening geldt. Het hof heeft in dit geval geoordeeld dat zij het redelijk en billijk acht het gemis van het gebruiksgenot van de echtelijke woning van de vrouw te waarderen op 4% van de helft van de overwaarde van de echtelijke woning op jaarbasis. Bij het vaststellen van een redelijke vergoeding kan overigens ook worden gekeken naar de waarde van het gebruik van de woning. Ook kan worden aangesloten bij de lasten die zijn verbonden aan de woning en de vraag wie daarvoor aansprakelijk is.

In afwijking van de hiervoor geformuleerde lijn heeft de Rechtbank Amsterdam op 8 december 2010 een beschikking gewezen (zaaknummer 408274/FA RK 08-7373) waarin de rechtbank kort gezegd heeft bepaald dat (in dit geval) de vrouw de helft van het fictief rendement van de overwaarde aan de man dient te betalen “hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een rendement van 4% over belegd vermogen gelet op de economische situatie thans niet haalbaar is. De rechtbank hanteert dan ook een percentage van 2,5%”. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat zij het redelijk vindt om rekening te houden met het feit dat twee van de drie kinderen van partijen nog in de woning wonen. Om die reden halveert de rechtbank voornoemd bedrag bovendien, hetgeen evenals voornoemd percentage van 2,5% tot dat moment ongebruikelijk is.

Op 13 december 2008 oordeelde de Rechtbank Breda dat de gebruiksvergoeding ook kan worden gevorderd op grond van het feit dat de man zijn deel van de overwaarde van de woning niet kan herbeleggen. Zoals uit de bovengenoemde uitspraak van het hof moge blijken is de grondslag voor de gebruiksvergoeding niet gelegen in het feit dat de ander zijn deel van de overwaarde niet kan herbeleggen. De vergoeding strekt tot vervanging van gemist genot. Wanneer op grond van redelijkheid een vergoeding opgelegd dient te worden, kan voor de hoogte daarvan (met inachtneming van de omstandigheden van ieder specifiek geval) aansluiting gezocht worden bij het gemiste rendement over de helft van de overwaarde van de echtelijke woning. De rechtbank Breda deed dat op 31 december 2008 maar ging daarbij niet uit van het gebruikelijke rendement van 4% maar van 3%. De vraag is of deze beslissingen van de Rechtbank Amsterdam resp. Rechtbank Breda betekenen dat er een ruimere toets wordt aangelegd bij de vraag op welke gronden een gebruiksvergoeding kan worden toegekend maar ook bij de vraag hoe hoog (of laag) die moet zijn. Met deze laatste uitspraken lijken eerder, door jurisprudentie, gebaande paden te worden verlaten. Dit kan leiden tot grote getalsmatige verschillen. Dit kan uiteraard te maken hebben met de economische omstandigheden, maar het komt de rechtszekerheid niet ten goede.

 

 

« terug