
Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen
(8 maart 2010)
Op 1 juli 2010 treedt het wetsvoorstel 28 867 (Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen) in werking. De wijzigingen gelden op grond van het overgangsrecht automatisch voor huwelijken die zijn gesloten ná inwerkingtreding van de wet. De wijzigingen, die ik in het vervolg van dit stuk zal bespreken, beogen de positie van de economisch zwakkere echtgenoot, veelal de vrouw, te versterken.
In het oorspronkelijke wetvoorstel zouden erfenissen en schenkingen voortaan buiten de gemeenschap van goederen vallen. Voor deze wijziging bleek in de Tweede Kamer uiteindelijk te weinig steun te vinden. Een kernonderdeel van het wetsvoorstel is hiermee vervallen. Deze wijziging zou immers een daadwerkelijke beperking betekenen van de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen. Zonder deze wijziging blijft alles bij het oude en vallen erfenissen en giften gewoon in de gemeenschap tenzij hieraan een uitsluitingsclausule is verbonden.
Andere in het oog springende wijzigingen zijn de introductie van de beleggingsleer, de wijziging van de bestuursregeling, het laten vervallen van de rechterlijke goedkeuring voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk en het laten vervallen van de wettelijke regeling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten en die van winst en verlies. Deze, naar mijn idee meest in het oog springende, wijzigingen zal ik hierna verder bespreken.
Introductie van de beleggingsleer
Op dit moment is het zo dat wanneer de ene echtgenoot zijn vermogen gebruikt voor de aanschaf van een goed dat mede tot het vermogen van de andere echtgenoot gaat behoren (denk hierbij aan de situatie dat partijen op beider naam een huis kopen waarbij een van de echtgenoten naast de hypothecaire geldlening, ook eigen geld inbrengt) dat deze echtgenoot recht heeft op terugbetaling van het door hem ter beschikking gestelde bedrag. In het wetsvoorstel moet bij de terugbetaling aan de andere echtgenoot, anders dan nu, (een evenredig deel van) de waarde van het goed aan hem worden betaald, waarbij rekening moet worden gehouden met een waardestijging of een waardedaling. Hoe pakt dit in de praktijk uit?
Stel: echtgenoten kopen een woning ter waarde van € 400.000,-. Deze woning wordt gefinancierd met een hypothecaire geldlening van € 350.000,- en de man brengt € 50.000,- eigen geld in. Na vijf jaar gaan partijen scheiden. De woning moet worden verdeeld. De waarde bedraagt dan € 500.000,-.
In de huidige situatie heeft de man recht op nominale teruggave van € 50.000,- waarna de resterende overwaarde van de woning (€ 100.000,-) dient te worden verdeeld. Aan het eind van de rit houdt de man dus € 100.000,- over en de vrouw € 50.000,-.
In de nieuwe situatie heeft de man niet recht op nominale teruggave van € 50.000,- maar op een teruggave gerelateerd aan de waardestijging en zijn aandeel in de woning. De man heeft ten laste van de overwaarde dus recht op een bedrag van (50:400 maal € 500.000,-) € 62.500,- waarna de resterende overwaarde van € 87.500,- tussen partijen verdeeld moet worden. In dit scenario houdt de man € 106.250,- over en de vrouw € 43.750,-. De beoogde verbetering van de positie van de economisch zwakkere wordt in dit scenario juist niet bereikt!
In het geval de woning in waarde afneemt, betekent dit dat de inbreng en het daaraan gekoppelde vergoedingsrecht, ook evenredig afneemt. In dat geval verbetert de positie van de economisch zwakkere weer wel.
Stel: In bovengenoemde casus bedraagt de waarde van de woning na vijf jaar niet € 500.00,- maar € 350.000,-
In dat geval houdt man naar huidig recht een vordering op de gemeenschap van € 50.000,-. In het komende stelsel krijgt de man een vordering op de gemeenschap evenredig aan zijn inbreng maal de waarde van de woning (50:400 maal € 350.000,-), dus ten bedrage van € 43.750,-. Omdat de woning geen overwaarde meer bezit, zal dit bedrag uit andere gemeenschappelijke vermogensbestanddelen moeten komen.
Wijziging bestuursregeling
Een tweede belangrijke wijziging betreft de regeling van het bestuur over goederen van huwelijksgemeenschap. Op dit moment heeft degene van wiens zijde een goed in de gemeenschap valt (dat is degene die het goed voor meer dan de helft betaalt) het bestuur over een goed. Die persoon mag als enige dit betreffende goed besturen, wat wil zeggen feitelijke handelingen verrichten (bv. verven van een auto) of beschikkingshandelingen (bv. het leveren van een auto na verkoop).
In de nieuwe regeling zijn beide echtgenoten bestuursbevoegd over de goederen van de gemeenschap (door wie ook betaald) met uitzondering van die goederen die op naam van één van beiden staan (zoals het eigen arbeidsinkomen). Ten aanzien van die goederen geldt dat de echtgenoot op wiens naam die goederen staan met uitsluiting van de ander bestuursbevoegd is. Dit betekent tevens dat de verdienende echtgenoot het bestuur heeft over het eigen arbeidsinkomen dat in de gemeenschap van goederen valt.
Eis rechterlijke goedkeuring voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden
Een derde wijziging, behelst het laten vervallen van rechterlijke goedkeuring voor het maken/wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk. De ratio van de rechterlijke goedkeuring is gelegen in een bescherming van schuldeisers. Wanneer partijen getrouwd zijn in gemeenschap van goederen kan een schuldeiser ieder van partijen aansprakelijk stellen voor de gehele schuld wanneer een zogenoemde gemeenschapsschuld niet wordt voldaan. Wanneer partijen ervoor kiezen om van een gemeenschap van goederen over te stappen naar een regime van huwelijkse voorwaarden, bergt dit een gevaar voor benadeling in zich, omdat dan alleen die echtgenoot die de gemeenschapsschuld is aangegaan voor 100 % aansprakelijk is en de andere echtgenoot maar voor 50 %.
Het nieuwe artikel 1:102 BW bepaalt dat echtgenoten die tijdens hun huwelijk overstappen van het regime van de wettelijke gemeenschap van goederen op het regime van uitsluiting van iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap, zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor gemeenschapsschulden die aanwezig zijn ten tijde van de wijziging van het huwelijksregime. Hierdoor wordt de rechterlijke goedkeuring dus feitelijk overbodig.
Schrapping gemeenschap van vruchten/inkomsten en winst en verlies
De nieuwe wet kent niet meer de gemeenschap van vruchten/ inkomsten en die van winst en verlies. De reden hiervoor is dat deze constructie, mogelijk opgenomen in huwelijkse voorwaarden, nagenoeg nooit meer wordt toegepast. De wet wordt in dat opzicht aangepast aan de praktijk.
De invoering van het nieuwe wetsvoorstel maakt het huwelijksvermogensrecht er zeker niet eenvoudiger op. In dat kader is het aan te raden om bij een voorgenomen huwelijk, wijziging huwelijkse voorwaarden en in voorkomende echtscheidingssituaties, u te wenden tot een advocaat en u goed te laten voorlichten wat de consequenties in uw specifieke geval kunnen zijn.
De Eerste Kamer heeft op 12 april 2011 de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen aangenomen, tot op heden is echter nog niet duidelijk wanneer deze wet ook daadwerkelijk in werking zal treden.
Advocaten:
» mr. I.G.S. (Ingrid) Claessen









