» Ondernemingsrecht

De rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid van exoneratieclausules
(31 maart 2009)

Het Nederlandse contractenrecht is gebaseerd op het beginsel van contractsvrijheid. Ondanks dat dit beginsel enkele beperkingen kent, staat voorop dat partijen de inhoud van hun afspraken zelf bepalen. Partijen zijn in het algemeen dan ook vrij om omtrent hun aansprakelijkheid wegens onder meer wanprestatie een (van de wet) afwijkende regeling te treffen. Zo worden vaak bedingen in overeenkomsten opgenomen, waarbij een schuldenaar zijn aansprakelijkheid beperkt of zelfs geheel uitsluit. Dergelijke bedingen worden ook wel “exoneratieclausules” genoemd.

Ondanks voornoemde vrijheid van partijen om de inhoud van hun afspraken zelf te bepalen, heeft een contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid niet in alle gevallen het gewenste effect. Er zijn in beginsel drie gronden die ertoe kunnen leiden dat een bedongen exoneratieclausule niet het gewenste effect sorteert voor degene die zich daarop zou kunnen beroepen. Ten eerste kan door een exoneratieclausule het belang van de ene partij op zodanig vergaande wijze worden opgeofferd aan dat van zijn wederpartij, dat de betreffende exoneratieclausule nietig is wegens strijd met de goede zeden of vernietigbaar wegens misbruik van omstandigheden. Ten tweede kan het zijn dat een dergelijk beding deel uitmaakt van algemene voorwaarden en alsdan vernietigd kan worden als zijnde onredelijk bezwarend voor de wederpartij. Ten derde kan het een schuldenaar in voorkomende gevallen niet vrijstaan om op een exoneratieclausule een beroep te doen, indien hij daardoor in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen. Dit volgt uit het bepaalde in artikelen 6: 2 en 248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Deze laatste grond heeft zich in de jurisprudentie ontwikkeld. Uit reeds oude rechtspraak (zie bijv. HR 26 mei 1950, NJ 1951/18 en HR 7 mei 1982, NJ 1983/509) volgt dat een partij zich niet kan exonereren voor feiten die hij kende dan wel behoorde te kennen. Zo oordeelde de Hoge Raad in het zogenaamde Pseudovogelpest-arrest (HR 20 februari 1976, NJ 1976/486) dat een verkoper van zieke kippen zich niet op een contractuele uitsluiting van zijn aansprakelijkheid kon beroepen, aangezien de verkoper wist dat de kippen ziek waren en de schade van de levering vele malen groter was dan de koopsom.

Ook een beroep op rechtsverwerking kan leiden tot onmogelijkheid om een beroep te doen op een exoneratieclausule. Dit is een nadere uitwerking van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Rechtsverwerking veronderstelt een houding of gedraging (doen of nalaten) van een contractspartij, die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van een krachtens de overeenkomst geldende regel. Een voorbeeld hiervan is het gedurende een zekere tijd stilzitten van een partij, waardoor bij de wederpartij het vertrouwen wordt gewekt dat een bepaald recht niet bestaat of niet zal worden uitgeoefend. Rechtsverwerking kan echter ook in andere gedragingen dan stilzitten besloten liggen. In het arrest HR 15 januari 1999, NJ 1999/241 oordeelde de Hoge Raad dat het doorverkopen van een gekochte zaak, nadat de aanvankelijke koper had ontdekt of had moeten ontdekken dat de verkochte zaak niet aan de overeenkomst beantwoorde, geldt als rechtsverwerking.   

Daarnaast kan een (impliciete) garantie een beroep op een exoneratieclausule in de weg staan wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dit gebeurde in het geval (HR 25 juni 1993, NJ 1994/291) waarin - kort samengevat - de verkoper van een tweedehands auto zich had geëxonereerd, maar waar later bleek dat (buiten de schuld van de verkoper) de kilometerstand van de auto ernstig was gemanipuleerd. Het gerechtshof nam aan dat bij de (ver)koop van een gebruikte auto de kilometerstand essentieel is en de verkoper stilzwijgend garandeert dat deze stand overeenkomstig de werkelijkheid is. Deze aanname leidde ertoe dat de verkoper een door de koper gedaan beroep op dwaling niet kon bestrijden met het in de overeenkomst voorgedrukte exoneratiebeding. 

Een belangrijke vaststelling naar aanleiding van deze jurisprudentie is dat in gevallen waarin moet worden beoordeeld of een partij een beroep kan doen op een exoneratieclausule, steeds de feiten en omstandigheden van het specifieke geval de doorslag zullen geven. Relevant zijn hierbij volgens de jurisprudentie de inhoud en strekking van de exoneratieclausule, de mate waarin de wederpartij zich van deze strekking bewust is geweest, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen, de zwaarte van de schuld/laakbaarheid mede gelet op de aard en ernst van de voorzienbare schade, de mate waarin de overeengekomen uitsluiting of beperking van de aansprakelijkheid in enige verhouding staat tot de omvang van de schade, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de aanwezigheid van een verzekering en de mate waarin is onderhandeld over (de tekst van) een exoneratieclausule (maatwerk of voorgedrukt in algemene voorwaarden).

In de discussie over de mogelijkheid voor een partij om zich op een exoneratieclausule te beroepen, dient te worden bedacht dat het in beginsel gaat om een "alles of niets systeem". Over het algemeen wordt aangenomen dat een exoneratie kan worden ingeroepen, danwel volledig terzijde wordt gesteld (zie anders Vranken, WPNR 1994-6142, p.453 e.v.). Een geslaagd beroep op één van genoemde gronden kan dan ook grote gevolgen hebben voor contractpartijen.

 

Advocaten:

»  mr. N.J. (Nina) Meuwese

 

« terug