
Overdraagbaarheid Peters/Gatzen-vordering
(6 mei 2009)
De curator is niet zelfstandig bevoegd over een Peters/Gatzen-vordering te beschikken, zo heeft de Hoge Raad afgelopen vrijdag 24 april geoordeeld. Hoewel de opbrengst van een dergelijke vordering wel in de boedel valt, maakt de vordering zelf geen deel uit van de boedel. Voor het overdragen van de vordering heeft de curator daarom last, toestemming of volmacht van de gezamenlijke schuldeisers nodig.
De feiten
Van
Iersel heeft als curator in het faillissement van Mamon Sorteer B.V.
(Sorteer) tegen Holco vorderingen ingesteld. Nadat de rechtbank de
vorderingen had afgewezen, heeft Van Iersel q.q. hogerberoep ingesteld.
Hangende de procedure in hogerberoep is Van Iersel als curator
opgevolgd door Van Seumeren.
Van Seumeren heeft op 4 juni 2003 ten behoeve van A een akte van cessie opgemaakt. Deze heeft betrekking op de vordering tegen Holco, een door de curator ingestelde pauliana. De akte is op 14 november 2003 betekend aan Lutèce B.V. die inmiddels rechtsopvolgster onder algemene titel van Holco was geworden. Vervolgens heeft A de procedure van Van Seumeren overgenomen, van grieven gediend en de eis gewijzigd met - kort gezegd - de Peeters/Gatzen-vordering (PGV).
Deze bijdrage ziet slecht op de overweging van de Hoge Raad met betrekking tot de ‘overdraagbaarheid’ van de PGV. Het hof oordeelde in een tussenarrest dat de PGV slechts aan de curator kon toekomen, en niet aan A.
Inmiddels is A in staat van faillissement verklaard met benoeming van Dekker als curator.
Overdraagbaarheid Peters/Gatzen-vordering?
Dekker q.q.:
Dekker
q.q. betoogt, kort gezegd, dat de curator op grond van art. 68 Fw
bevoegd is om vorderingen van de gezamenlijke schuldeisers in te
stellen en daarover te beschikken. Hij kan er daarbij voor kiezen zulke
vorderingen te cederen in plaats van deze zelf te innen. Er is geen
reden een uitzondering te maken voor vorderingen van de gezamenlijke
schuldeisers uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking.
Hoge Raad:
Het
betoog van Dekker q.q. gaat ervan uit dat het hof heeft aangenomen dat
de curator van Sorteer de onderhavige vorderingen aan A heeft
overgedragen. Daarmee berust het op een verkeerde lezing van het arrest
en kan het niet tot cassatie leiden (zie ook de conclusie van de A-G,
nummers 4.45 tot en met 4.46.4). Daarbij tekent de Hoge Raad aan dat
het hof klaarblijkelijk beslissend heeft geoordeeld dat de onderhavige
vorderingen eerst bij de eiswijziging bij memorie van grieven, dus
nadat A de procedure op grond van de cessie van de curator van Sorteer
had overgenomen, door A zijn ingesteld.
Overigens faalt het betoog ook omdat het op een onjuiste rechtsopvatting berust. Een faillissementscurator is bevoegd in geval van benadeling van schuldeisers door de gefailleerde voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, waarbij, zoals de Hoge Raadvoor het eerst in zijn arrest van 14 januari 1983 (NJ 1983, 597) heeft beslist, onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De opbrengst van een zodanige door de curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers geldend gemaakte vordering valt, evenals de opbrengst van een vordering tot vernietiging op de voet van de artt. 42 e.v. Fw, in de boedel en komt derhalve de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief.
Zijn bevoegdheid tot het geldend maken van dergelijke vorderingen ontleent de curator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel. De omvang van de door een individuele faillissementsschuldeiser geleden schade wegens (gehele of gedeeltelijke) onverhaalbaarheid van zijn vordering kan pas worden bepaald als duidelijk is hoeveel hij uit het faillissement zal ontvangen. Hij zal dan ook voor het volle bedrag van zijn vordering in het faillissement moeten opkomen terwijl bij de vaststelling van zijn schade rekening moet worden gehouden met hetgeen hij uit het faillissement ontvangt (zie voor een en ander HR 16 september 2005, NJ 2006, 311).
Uit een en ander volgt dat een vordering als de onderhavige toekomt aan de gezamenlijke faillissementsschuldeisers, omdat zij is gegrond op de benadeling in hun verhaalsmogelijkheden als gevolg van het handelen van de gefailleerde (en de derde). Daarom valt deze vordering niet in de boedel. Nu zij strekt tot herstel van de verhaalsmogelijkheden van de faillissementsschuldeisers, dat wil zeggen hun verhaalsmogelijkheden binnen het kader van het faillissement, valt de opbrengst van de vordering echter wel in de boedel teneinde via de uitdelingslijst tot verdeling te komen. Daarom brengt de wettelijke opdracht aan de curator tot beheer en vereffening van de failliete boedel mee dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers deze vordering kan innen en dus ook de voldoening daarvan in rechte kan vorderen. Aangezien, als gezegd, de vordering zelf niet in de boedel valt, omvat deze bevoegdheid tot inning niet de bevoegdheid over de vordering zelf te beschikken door haar aan een derde over te dragen. Daartoe behoeft de curator last, toestemming of volmacht van de gezamenlijke schuldeisers.
Hoge Raad, 24 april 2009, LJN BF3917 (Dekker q.q./Lutèce B.V.)









