» Personen- & Familierecht

Het nieuwe Tremarapport
(17 mei 2006)

Het rapport "Alimentatienormen", dat voor het eerst in 1979 is gepubliceerd en onder andere in 1994 is aangepast, heeft in januari 2006 een nieuw jasje gekregen. Hoewel de Werkgroep Alimentatienormen van de NVvR collectief verantwoordelijk is voor het rapport, mag mr. J.G. Luiten, de voorzitter van de Werkgroep alimentatienormen, met recht zijn naam onder het nieuwe rapport zetten. Dankzij zijn niet aflatende ijver is dit rapport tot stand gekomen. Dat daarin wordt voortgeborduurd op de onder leiding van mevrouw mr. B.M. Mens opgestelde eerdere versie en op haar rapporten "Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie" en "Alimentatie en winst uit onderneming" komt de continuïteit in het "tremadenken" ten goede. In dit artikel wordt ingegaan op de gewijzigde inzichten, zoals die blijken uit het nieuwe tremarapport.

Het Tremarapport had oorspronkelijk en heeft ook nu zes inhoudelijke hoofdstukken en als hoofdstuk 7 een trefwoordenregister. Dat komt het gebruiksgemak ten goede. Verder zijn als bijlagen aan het rapport gehecht de rapporten "Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie" en "Alimentatie en winst uit onderneming". Die rapporten zijn niet gewijzigd. Het Tremarapport zelf is onder te verdelen in de 15 pagina’s beslaande eerste vijf hoofdstukken en het zesde hoofdstuk (26 pagina’s), waarin een toelichting wordt gegeven op de diverse posten uit de berekening. De algemene visie wordt derhalve gegeven in de eerste vijf hoofdstukken. Ten aanzien van drie onderwerpen blijkt de visie van de Werkgroep alimentatienormen gewijzigd te zijn: dat betreft de behoefte kinderalimentatie, schuldsanering en de zogenaamde jusvergelijking.

Behoefte aan kinderalimentatie

Bij het tot 2006 geldende Tremarapport was een tabel eigen aandeel in de kosten van kinderen opgenomen, die was gebaseerd op een netto gezinsinkomen van maximaal € 3.500,-- per maand. Die door het Nibud opgestelde tabel was gebaseerd op berekeningen van het CBS, dat onderzoek had gedaan naar de hoogte van de kosten van kinderen. Er bleek een relatie te bestaan tussen het bedrag, dat ouders aan kinderen uitgeven en hun netto gezinsinkomen. Was sprake van een gezin met één kind, dan bleken ouders 19% van het netto gezinsinkomen aan hun kind uit te geven. Bij twee kinderen was dat gemiddeld 27%. Drie kinderen kostten 34% en vier of meer kinderen 39% van het netto gezinsinkomen. In 2006 zijn die percentages gewijzigd in 17, 26, 33 en 40. Er was echter slechts onderzoek gedaan onder gezinnen met een netto gezinsinkomen van € 3.500,-- en lager. De vraag die alimentatierekenend Nederland in 2003 t/m 2005 in de greep heeft gehouden, is die naar de kosten van kinderen in gezinnen, waarin maandelijks veel meer te besteden was dan € 3.500,--. In mijn artikel "Behoefte aan kinderalimentatie" (EB januari 2003, pag. 1 t/m 5) adviseerde ik de betreffende tabel niet ongelimiteerd lineair te extrapoleren, omdat dat tot absurd hoge kinderalimentatiebedragen zou leiden. Bovendien zouden dergelijke bedragen niet kunnen worden gebaseerd op enig onderzoek. Mijn advies was toen de behoefte aan kinderalimentatie af te leiden van het tabelinkomen van maximaal € 5.000,--. Een hogere behoefte zou naar mijn mening niet kunnen worden gebaseerd op een tabelinkomen, maar zou aannemelijk moeten worden gemaakt.

De rechtspraak is sedert 2002 verdeeld. Het Gerechtshof Arnhem hanteerde een duidelijke lijn. Verwezen wordt naar de beschikkingen van 2 november 2004 (LJN: AR8445), 21 december 2004 (RFR 2005, 27) en 18 januari 2005 (RFR 2005, 52). Dat hof overwoog steevast, dat het uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind wordt gevormd door de aanbevelingen van de Werkgroep Alimentatienormen in het Rapport kosten kinderen. Bij een besteedbaar inkomen dat hoger lag dan € 3.500,-- per maand oordeelde het hof dat de tabel niet (lineair) dient te worden doorgetrokken, "nu de tabel niet gebaseerd is op een rekenkundige formule, maar op het onderzoek van het CBS, waarbij geen onderzoek is gedaan naar de uitgaven van gezinnen met kinderen met een hoger besteedbaar inkomen dan € 3.500,-- per maand". Het hof sloot vervolgens aan bij het tabelinkomen van € 3.500,-- per maand. Dat is ook de visie van het Gerechtshof Leeuwarden (zo blijkt uit de beschikking van 7 september 2005, RFR 2005, 137). Aan de andere kant staan het Gerechtshof Amsterdam (beschikking van 26 augustus 2004, RFR 2005, 22) en de Rechtbank Amsterdam (23 maart 2005 RFR 2005, 125), die feitelijk uitgaan van lineair doortrekken van de tabel.

De Werkgroep kiest er in het nieuwe Tremarapport voor, de behoefte aan kinderalimentatie af te leiden uit de tabel tot een netto gezinsinkomen van € 5.000,--. Is dat gezinsinkomen (veel) hoger, dan wordt de behoefte aan kinderalimentatie begrensd tot het bedrag dat voortvloeit uit een netto gezinsinkomen van € 5.000,-- per maand. De Werkgroep gaat er van uit dat de uit onderzoek blijkende percentages van het inkomen, dat aan de kosten van de kinderen wordt besteed, tot aan het genoemde gezinsinkomen, met een grote mate van waarschijnlijkheid ook gelden. Daarom heeft de Werkgroep de tabellen doorgetrokken tot € 5.000,--.

Opvallend is dat de uit de tabellen blijkende behoefte voor kinderen ingaande 1 januari 2006 is verlaagd met een bedrag dat varieert van € 10,-- tot € 80,--. Daarvoor wordt in het rapport geen verklaring gegeven. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit, dat vanaf 1 januari 2006 voor kinderen geen ziektekostenpremie behoeft te worden betaald.

Rechters zijn niet gebonden aan de Tremanormen, die niet te beschouwen zijn als recht in de zin van artikel 79 RO (HR 1 november 1991, NJ 1992, 30 en HR 4 oktober 1995, NJ 1998, 365). Dat is wel het geval bij het Procesreglement Echtscheiding en het Uniform reglement gerechtshoven voor rekestprocedures (HR 23 april 2004, RvdW 2004, 63). Verwacht mag echter worden dat rechtbanken en hoven zich bij de visie van de Werkgroep zullen aansluiten, hetgeen uniformering van de alimentatienormen ten goede komt.

Schuldsanering

Ten aanzien van onderhoudsplichtigen, die toegelaten zijn tot schuldsanering uit hoofde van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, komt de Werkgroep met een nieuwe aanbeveling. De Werkgroep stelt voor in die gevallen de geldende onderhoudsverplichtingen desgevraagd voor de duur van de schuldsanering op nihil te bepalen, in die gevallen waarin voor het vrij te laten inkomen met die verplichtingen geen rekening is gehouden. De Werkgroep gaat ervan uit dat de Rechter-Commissaris steeds heeft getoetst of de toelating tot schuldsanering gegrond is. Dit advies is conform de inmiddels gegroeide jurisprudentie. Verwezen wordt naar de beschikkingen van het Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 12 januari 2005, LJN: AS5829 en 10 april 2002, LJN AE2435.

Jusvergelijking

De Werkgroep alimentatienormen spreekt niet langer van "draagkrachtvergelijking" (of beter: draagkrachtruimtevergelijking), maar van jusvergelijking. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat niet de draagkracht van de ene partij wordt vergeleken met die van de andere partij, maar dat het gaat om vergelijking van ieders "vrije ruimte". Het is echter jammer dat daarvoor geen andere term kan worden gevonden dan "jus". Bij dat woord wordt immers gedacht aan allerlei extra’s, die eigenlijk niet nodig zijn. De jus wordt in de visie van de Werkgroep gebruikt om te voorzien in luxe uitgaven, waar partijen aan gewend waren geraakt tijdens het huwelijk. De Werkgroep noemt vakanties, een auto, contributies van clubs en dergelijke. De jus, die kan worden gezien als de ruimte, die een alimentatieplichtige overhoudt, nadat het draagkrachtloos inkomen en alimentaties zijn betaald, blijkt steeds vaker te moeten worden gebruikt voor onvermijdbare kosten. Te denken valt aan de woning, die een alimentatieplichtige bijvoorbeeld met zijn nieuwe gezin heeft betrokken en waarvan de woonlasten uitgaan boven hetgeen de rechter redelijk vindt. Hoeveel redelijk is, wordt niet vastgesteld. De Werkgroep doet daarvoor geen aanbevelingen. Dit impliceert dat van geval tot geval verschillend zal zijn of de vrije ruimte kan worden gebruikt voor "luxe" als een auto, vakantie, het betalen van pensioenrechten of schulden, in het geval de rechter daar geen rekening mee wil houden, of een grotere woning. Het moet echter niet zo zijn dat een alimentatieplichtige daardoor in wezen gedoemd is te leven op bijstandsniveau. Evenals onder omstandigheden een duurdere woning, kan een vakantie "nodig zijn". De alimentatieplichtige moet immers "stressvol" werk vol blijven houden en hij moet gemotiveerd blijven om ook in de toekomst aan zijn alimentatieverplichtingen te kunnen voldoen. In die zin bestaat er soms een verschil tussen de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde.

Op verhelderende wijze wordt in het nieuwe Tremarapport schematisch weergegeven hoe een jusvergelijking werkt. Hoewel aan de beschrijving in hoofdstuk 5.2 van het tremarapport is toegevoegd: "N.B. er bestaat geen regel dat partijen na de scheiding in beginsel een gelijk besteedbaar inkomen behoren te hebben", is blijkens het slot van dat hoofdstuk wel het streven, een zodanig alimentatie vast te stellen dat beide partijen een gelijke vrije ruimte hebben.

Uit de nieuwe beschrijving van de "confrontatie" van behoefte en draagkracht vloeit voort, dat voor de vaststelling van de partneralimentatie bij het maken van een draagkrachtvergelijking de kinderen buiten beschouwing moeten worden gelaten. De onderhoudsgerechtigde moet in dat geval in de berekening worden aangemerkt als een alleenstaande. Met extra heffingskortingen aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde, die verband houden met de aanwezigheid van kinderen, wordt wel rekening gehouden. Wonen alle kinderen bij één van de echtelieden, dan worden beide echtelieden voor het maken van een draagkrachtvergelijking gezien als alleenstaanden.

In de situatie dat de kinderen uit één gezin na de scheiding verdeeld worden over de ouders, is het volgens de Werkgroep gebruikelijk de onderhoudsplichtige ouder met kind(eren) als alleenstaande ouder te zien en met die norm te rekenen. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het aantal kinderen, dat men te onderhouden heeft. Leidt dat laatste tot scheefgroei, dan beveelt de Werkgroep aan een andere rekenmethode te hanteren. De Werkgroep denkt dan aan de methode, waarbij ieder der ouders als alleenstaande wordt beschouwd, met een draagkrachtpercentage van 60. Is sprake van co-ouderschap, dan beveelt de Werkgroep aan voor het maken van een draagkrachtberekening te rekenen met het gemiddelde van de alleenstaande en de alleenstaand-oudernorm en ook de draagkrachtpercentages te middelen. Voor de draagkrachtvergelijking van de twee ouders wordt echter aanbevolen beiden als alleenstaanden te beschouwen en de daarbij behorende percentages van 70 (netto methode) c.q. 60 (bruto methode) te hanteren.

Geen aanbeveling wordt gegeven voor het geval de behoefte van een kind is gebaseerd op een netto gezinsinkomen van twee ouders en het inkomen van de één aanzienlijk lager is dan dat van de ander. Te denken valt aan een behoefte, gebaseerd op een netto gezinsinkomen van € 5.000,--, in een gezin waarin vader € 3.500,-- en moeder € 1.500,-- inkomen heeft. Bij 9 kinderbijslagpunten en 2 kinderen blijkt de behoefte in dat geval € 600,-- per kind per maand te bedragen. Als de vader voldoende draagkracht heeft, behoort hem dan € 600,-- per kind per maand te worden opgelegd of 35/50ste van dat bedrag, zijnde € 420,--. Het Tremarapport geeft hier geen richtlijnen voor en dat is jammer. Op deze wijze blijft de onzekerheid over dergelijke vraagstukken bestaan. Wel is opvallend dat uit het oorspronkelijke alimentatierapport is geschrapt de volgende passage: "Indien beide ouders voor de echtscheiding een inkomen verwierven en die situatie duurt voort na de echtscheiding, dan is het voor de hand liggend dat deze inkomsten na de scheiding worden opgeteld en dat aan de niet-verzorgende ouder dat deel van de eigen bijdrage aan alimentatie wordt opgelegd (als diens draagkracht dat toelaat), dat naar rato van de draagkracht van beide ouders voor diens rekening behoort te komen". Bedoelt de Werkgroep door weglating van genoemde passage te adviseren dat, als in het hierboven omschreven geval moeder per saldo geen draagkracht heeft (omdat het draagkrachtloos inkomen € 1.500,-- per maand bedraagt) de vader € 600,-- per kind per maand behoort te voldoen (als zijn draagkracht dat toelaat)? Op die wijze zou de verhoging van de kosten in verband met scheiding éénzijdig worden afgewenteld op de vader. Zou voor de berekening van de behoefte van de kinderen slechts uitgegaan zijn van zijn inkomen, dan zou de behoefte zijn gesteld op € 420,-- per kind per maand. Omtrent dit punt bestaat onzekerheid in de praktijk, die niet door het nieuwe Tremarapport is opgeheven. Een deel van de met het alimentatierekenen belaste praktijkbeoefenaren vond de betreffende zin in het vorige Tremarapport niet zo geslaagd en is van mening dat in het gegeven voorbeeld de vader tot betaling van € 600,-- per kind per maand gehouden was. Een ander deel van de advocaten, scheidingsbemiddelaars en rechters verdeelde de behoefte over de kinderen (het inkomen van moeder voorziet ook in de lasten van de kinderen) en hield het (conform de voormalige richtlijn) op
€ 420,-- per maand. Door uit het vorige rapport zonder opmerkingen de betreffende passage weg te laten, heeft het nieuwe Tremarapport de rechtsonzekerheid vergroot.

Wordt een jusvergelijking gemaakt (als draagkrachtruimtevergelijking niet langer acceptabel is, zou misschien kunnen worden gesproken over "vrije ruimte-vergelijking"), dan is de vraag wat er eigenlijk moet worden vergeleken. Is dat ieders draagkrachtruimte (nummer 136 van de tremaberekening) of het voor alimentatiebeschikbare bedrag (nummer 140 van de berekening). Die vraag is relevant omdat het bij een draagkrachtruimtevergelijking niet interessant is of de alimentatiebetaler alleenstaande (60%) of een deel van een onvolledig gezin (45%) is. De Werkgroep lijkt uit te gaan van een vrije-ruimtevergelijking (verwezen wordt naar het voorbeeld op pagina 17 van het Tremarapport) hetgeen naar mijn mening beter is dan een draagkracht- of draagkrachtruimtevergelijking. In het eerste geval werkt het draagkrachtpercentage immers wel mee bij de vergelijking en in het laatste geval niet. Het is van belang dat dat percentage meetelt, omdat iemand met een onvolledig gezin een ruimer bedrag voor zichzelf moet overhouden, dan een alleenstaande.

Verder is niet altijd duidelijk waar de kinderalimentatie moet worden ingevuld bij een draagkrachtvergelijking van een alleenstaande vader en een moeder met kinderen, die een eigen inkomen heeft. In het rapport wordt in hoofdstuk 5.2 slechts overwogen: "Bij de onderhoudsplichtige wordt de eventueel te betalen kinderalimentatie (voor hun beider of andere kinderen) als last meegenomen". Ja, maar waar moet de kinderalimentatie in de berekening worden opgenomen: onder het draagkrachtloos inkomen of onder nummer 141 (nadat het draagkrachtpercentage is gehanteerd)? Ik zou menen dat voor (jong)minderjarige kinderen voor dat laatste (overigens gebruikelijke) systeem zou moeten worden gekozen.

Toelichting bij gebruik

De Commissie Knelpunten Tremanormen van de Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsbemiddelaars (VFAS) neemt jaarlijks deel aan het overleg, dat de Werkgroep Alimentatienormen onderhoudt met "het veld". Bij die gelegenheid draagt de Commissie knelpunten bij de toepassing van de alimentatienormen aan, met het verzoek aan de Werkgroep het rapport bij te stellen. De Commissie meent zich daarbij te mogen beroepen op een zekere autoriteit: zij vertegenwoordigt (vaak decennia lang reeds) gespecialiseerde familierecht-advocaten. Omdat zij zowel raadslieden van alimentatiegerechtigden als –plichtigen vertegenwoordigt, kan de Commissie geen ander specifiek belang voor ogen hebben, dan dat van een correcte normering. Van de in het verleden door de Commissie aangedragen opmerkingen deed ik verslag in dit blad onder de titel "Knelpunten Tremanormen" (EB juni 1998, pag. 6 t/m 9) en "Wederom: knelpunten Tremanormen" (EB oktober 1999, pag. 7 t/m 9). Het is jammer dat de Werkgroep Alimentatienormen niet alle door de Commissie aangedragen aanbevelingen heeft overgenomen. Voor een integrale bespreking van de aangedragen wijzigingsvoorstellen wordt naar de hiervoor genoemde artikelen verwezen.

Is een goed verdienende alimentatieplichtige gaan samenwonen met een veel minder verdienende partner, dan is het in de praktijk gebruikelijk de soms hoge woonlasten onder de alimentatieplichtige en zijn nieuwe partner te verdelen naar rato van draagkracht. Desalniettemin blijft de Werkgroep aanbevelen de woonlast bij helften tussen de partners te verdelen (7.g en 10.d.slot). Gelukkig wijken advocaten(-scheidingsbemiddelaars) en rechters veelvuldig van dit advies af.

In de gevallen waarin de alimentatieplichtige geen liquide middelen heeft, doch zijn inkomen te hoog is om voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking te komen, wordt maximaal met een bedrag van € 1.368,-- (dat is ƒ 3.000,--) en een maandlast van maximaal € 114,-- rekening gehouden ten laste van het draagkrachtloos inkomen. Met name in de gevallen waarin een (kosteloos procederende) alimentatiegerechtigde de partner bestookt met (niet haalbare) procedures en die partner zich derhalve móet verweren, is de norm uitermate onredelijk. De Werkgroep geeft niet aan hoe de alimentatieplichtige zich in zo’n geval zou moeten verweren. Hij zal verstoken zijn van rechtshulp, hetgeen in een samenleving als de onze niet kan worden geaccepteerd. De uit het gulden tijdperk voortvloeiende beperking tot € 1.368,--, de daaruit voortvloeiende maandlast en de beperkte hoogte van toegestane advocaatkosten behoren te worden heroverwogen. De opstelling van het nieuwe Tremarapport was daarvoor een mooie gelegenheid geweest.

Nog steeds wordt in het Tremarapport rekening gehouden met vervreemdingsvoordelen (rapportnummer 97) en wordt in de toelichting aangegeven wat daaronder wordt verstaan. De Werkgroep heeft echter niet duidelijk gemaakt (en zal ook niet duidelijk kunnen maken) waarom het voor de alimentatievaststelling relevant is met vervreemdingsvoordelen rekening te houden. Die komen immers slechts voor in het jaar, waarin aanmerkelijk belang aandelen worden vervreemd. Is daarvan sprake, dan zal voor de alimentatievaststelling geen rekening moeten worden gehouden met deze verkoop (en het daaruit voortvloeiende inkomen), maar zal de financiële situatie van het jaar erna richting moeten geven bij de alimentatievaststelling.

De hoogte van de behoefte aan kinder- en partneralimentatie wordt veelal afgeleid uit de hoogte van het netto gezinsinkomen. Dat kan zijn (verwezen wordt naar het rapport onder 3.1) het bedrag dat in de alimentatieberekening gevonden wordt onder nummer 121, waarop in mindering dient te worden gebracht de door werkgever of uitkeringsinstelling vergoede inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Dit impliceert dat rekening wordt gehouden met het netto maandinkomen, vakantiegeld, tantième of de 13de maand en met de fiscale teruggave wegens hypotheekrente-aftrek. Dat de laatstgenoemde post meetelt, wordt echter lang niet door iedereen als redelijk ervaren. Verwezen wordt naar het artikel "Het behoeftecriterium voor alimentatie – gelijke gevallen, ongelijk behandeld!" van mevrouw mr. M. Burgers-Thomassen en mevrouw mr. T. Kreefenberg, EB februari 2005, pag. 32 t/m 34. De aanbeveling van de Commissie om die hypotheekrente-aftrek niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het netto gezinsinkomen is gepasseerd met als argument, dat het Nibud het belastingvoordeel rekenkundig in de tabellen (voor de vaststelling van de behoefte aan kinderalimentatie) heeft verwerkt en dat de subsidie van de belastingdienst een extra bron van inkomsten is. Die motivering overtuigt niet. Als wordt overwogen of een totale woonlast wel redelijk is, kijkt men meestal naar de hoogte van de hypotheekrente, waarop het belastingvoordeel in mindering wordt gebracht, te vermeerderen met aflossing of premie levensverzekering en het forfait overige eigenaarslasten ofwel naar de hoogte van de huur. Het begrip woonlast impliceert immers reeds het bedrag, dat resulteert na aftrek van het hypotheekrente-voordeel.

Onduidelijk blijft hoe de behoefte van een jong-meerderjarige wordt berekend. In het Tremarapport wordt slechts opgemerkt dat daarvoor nog geen maatstaven ontwikkeld zijn. Dat is jammer, want in de praktijk moet vaak worden "gewerkt" met jong-meerderjarigen. Zou het niet zinvol zijn voor de berekening van de behoefte van kinderen te handelen, als waren de jong-meerderjarigen nog minderjarig? De studiefinanciering en de ov-maandkaart wegen immers redelijk op tegen de voorheen ontvangen kinderbijslag. Woont een jong-meerderjarige op kamers, dan kan de kamerhuur als een extra last meegenomen worden.

Conclusie

Bij lezing van het nieuwe Tremarapport welt onmiskenbaar het gevoel op van "oude wijn in nieuwe zakken". Enerzijds is het positief dat het bestaande rapport op hoofdlijnen is gehandhaafd. Dat komt immers een uniforme toepassing van Tremaregels door de jaren heen ten goede. Er is echter niets op tegen om visies uit het verleden, die minder redelijk blijken, aan te passen. De benzineprijs voor auto’s is gedurende de laatste 20 jaar ook verdubbeld of verdrievoudigd. Dat zou dus ook moeten gebeuren met het voor reiskosten te berekenen bedrag. De WOZ-waarde van woningen is meer dan verdubbeld, maar de forfaitaire woonlast blijft (niettegenstaande andersluidende adviezen van de Commissie knelpunten Tremanormen) gelijk en kent geen enkele differentiatie. Met andere woorden: het Tremarapport moet periodiek worden aangepast aan veranderde economische gegevens. Daarenboven is er niets op tegen een bij nader inzien jarenlang bestaande onredelijkheid (zoals geen rekening houden met de werkelijke advocaatkosten in gevallen waarin geen liquide vermogen bestaat) op te heffen.

 

Advocaten:

»  mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg

 

« terug