
Voorlopige Voorzieningen
(17 mei 2001)
VOORLOPIGE VOORZIENINGEN duur, appèl- en wijzigingsmogelijkheid
Als echtelieden besluiten te gaan scheiden, zijn zij over het algemeen in staat
met elkaar afspraken te maken, die zullen gelden voor de duur van de
echtscheidingsprocedure. Wenden zij zich tot een scheidingsbemiddelaar, dan zal
hij of zij de echtelieden helpen bij het maken van die afspraken. Ook als voor
ieder der partijen een advocaat optreedt, moet het mogelijk zijn een regeling te
treffen buiten de rechter om. Aldus kan het treffen van voorlopige voorzieningen
(artikel 821 t/m 826 Rv) worden gezien als een ultimum remedium. Mocht het
echter nodig worden voorlopige voorzieningen te vragen, dan strekt de werking
van die voorzieningen zich vaak uit over een reeks van jaren. De rechtszekerheid
vergt dan een welover-wogen beslissing.
Ordemaatregel
Tot het begin van
de tachtiger jaren verplichtte de wet om in alle gevallen, waarin echtscheiding
werd gevorderd, een comparitie (de zogenaamde 818-comparitie) te houden. In de
rechtspraktijk was het destijds gebruikelijk dan ook maar voorlopige
voorzieningen te vragen. Als de rechter partijen toch moest horen, kon hij
tegelijkertijd enkele voorzieningen treffen. Er waren altijd wel voorzieningen
te bedenken, die de rechter zou kunnen uitspreken, al was het maar ontslag van
de verplichting om samen te wonen of de bepaling, dat de één de echtelijke
woning zou blijven bewonen (ook als de ander al lang was vertrokken). Toen die
verplichte comparitie werd afgeschaft, is het aantal gevallen, waarin voorlopige
voorzieningen werd gevraagd, drastisch teruggelopen. Die trend werd voortgezet
in de jaren ’90, toen bij burgers en advocaten het besef groeide, dat een
regeling buiten de rechter om verre te prefereren was boven een rechterlijke
uitspraak. Mede onder invloed van de opkomst van scheidingsbemiddeling, werd het
aantal gevallen, waarin een voorlopige voorziening werd gevraagd, verder
teruggedrongen. In echtscheidingssituaties behoort slechts een voorlopige
voorziening te worden gevraagd, als dat strikt noodzakelijk is. Alleen dan kan
een voorlopige voorziening met recht worden genoemd “een ordemaatregel met een
voorlopig karakter, bestemd om te voorzien in de moeilijkheden die rijzen,
doordat tussen echtgenoten een scheidingsprocedure aanhangig is” (HR 28 mei 1976
NJ 1977, 247 en HR 3 juli 1995, NJ 1996, 555). Of het (in die “moeilijke
gevallen”) juist is aan een beschikking voorlopige voorzieningen geen hoge
motiveringseisen te stellen (aldus HR 21 mei 1976, NJ 1977, 172) is echter de
vraag. Bovendien moet met het oog op de rechtszekerheid van partijen worden
betreurd, dat hoger beroep van een beschikking tot vaststelling c.q. tot
wijziging van voorlopige voorzieningen is uitgesloten (art. 824 lid 1 Rv). Met
name wanneer een spaarzaam gebruik wordt gemaakt van het instrument voorlopige
voorzieningen, is het de vraag of de argumenten, die hebben geleid tot
afschaffing van de appèlmogelijkheid, opwegen tegen de argumenten, die er zijn
voor herinvoering. Vóór afschaffing pleitte destijds (MvT TK, 1990/1991, 21 881
nr. 3) de stelling, dat de hoofdprocedure snel zou verlopen. Naar mate de
hoofdprocedure vlotter verliep, behoefden onjuiste of onjuist geworden
beslissingen omtrent voorlopige voorzieningen minder lang in stand te blijven en
bestond dus aan hoger beroep minder behoefte. Een tweede (en naar ik meen was
dat het belangrijkste) argument vormde de werkbelasting, die door de
appèllabiliteit van voorlopige voorzieningen bij de Gerechtshoven werd
veroorzaakt. Omdat bij afschaffing van de appèlmogelijkheid werd verwacht dat
het aantal wijzigingsverzoeken zou toenemen, is een middel gezocht die
wijzigingsverzoeken in te dammen. Daarom heeft de wetgever de
wijzigingsmogelijkheid van voorlopige voorzieningen aan een streng criterium
gebonden. Met dat strenge criterium (art. 824 lid 2 Rv) zou de destijds
verwachte verschuiving van de werklast van de hoven naar de rechtbanken als
gevolg van de afschaffing van het appèl bij voorlopige voorzieningen, zoveel
mogelijk moeten worden tegengegaan. Het is de vraag of daarmee de
rechtszekerheid niet te zeer is geschonden.
Casus
Man en vrouw besluiten
medio 1998 te gaan scheiden. Een poging om in der minne (voorlopige dan wel
definitieve) alimentatieafspraken te maken, strandde. De man vond dat hij voor
de vrouw en betrekkelijk jonge kinderen (destijds vier en drie jaar) geen
alimentatie behoefde te betalen. Partijen waren buiten gemeenschap van goederen
gehuwd. De echtelijke woning was eigendom van de vrouw en zij zou daarin met de
kinderen blijven wonen. Op die echtelijke woning rustte een hypotheeklast met
een rente en premieverplichting van zo’n ƒ 3.000,-- per maand.
Begin oktober
1998 bepaalde de Rechtbank bij voorlopige voorziening, dat de man een
kinderalimentatie van ƒ 750,-- per kind per maand behoorde te betalen en een
partneralimentatie van ƒ 6.000,-- per maand. De man, die dga was en in die
hoedanigheid binnen zekere grenzen de hoogte van zijn inkomen kon bepalen,
weigerde daadwerkelijk betaling van alimentatie. (Voor de oplettende vaste
lezers van EB vermeld ik, dat dit een andere casus is dan die, waarover in EB
van februari 2000 werd geschreven). De vrouw moest begin 1999 betaling van
alimentatie afdwingen door te dreigen met executie van het in eigendom van de
man zijnde bedrijfspand.
In maart 1999 diende de man bij de Rechtbank een
verzoekschrift in tot vaststelling (bedoeld was wijziging) van voorlopige
voorzieningen. Hij vond een alimentatie van ƒ 575,- per kind en van ruim ƒ
1.400,-- ten behoeve van de vrouw wel genoeg en stelde niet meer te kunnen
betalen. De man beriep zich erop dat zijn financiële omstandigheden sedert
oktober 1998 waren gewijzigd. Ongelukkigerwijs vergat de procureur van de man
het ingediende verzoekschrift te ondertekenen. De Rechtbank had daarmee niet
zoveel moeite. Ook de andere door de procureur van de vrouw aangevoerde gronden
voor niet-ontvankelijk verklaring werden (zonder al te veel motivering: blijkens
uit het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 1976 is dat niet
nodig) gepasseerd. De Rechtbank wees met terugwerkende kracht het door de man
aangeboden bedrag toe. Duidelijk is dat die beslissing voor de vrouw desastreus
was. Met de door de Rechtbank opnieuw vastgestelde alimentatie kon niet eens de
hypotheekrente worden betaald. De vrouw was dus gedwongen haar woning te
verkopen. Is appèl van die beslissing in ieder geval
uitgesloten?
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









