» Personen- & Familierecht

(Echt)scheidingsconvenant
(17 augustus 2001)

Doel en uitwerking (echt)scheidingsconvenant: een inleiding. mr. L.H.M. Zonnenberg

De afspraken, die partners met elkaar maken met het oog op een toekomstige scheiding, worden veelal in een overeenkomst vastgelegd: een scheidingsconvenant. Zijn die partners gehuwd, dan heet zo’n convenant: echtscheidingsconvenant. Dat convenant staat in dit themanummer centraal. Hoewel het (echt)scheidingsconvenant voor mensen die gaan scheiden een uitermate belangwekkend onderwerp is, besteedt de wet aan een dergelijk convenant maar weinig aandacht. Wetsartikelen, die betrekking hebben op het (echt)scheidingsconvenant, staan op verschillende plaatsen in diverse wetten en wel daar waar het onderwerp, waarover wordt gecontracteerd, wordt behandeld. Een themanummer over het convenant bevat daarom een bespreking van de diverse onderwerpen, die in een convenant worden geregeld.
Definiëring.
Onder een (echt)scheidingsconvenant wordt over het algemeen verstaan: de overeenkomst, waarbij ex-echtgenoten of -partners de rechtsgevolgen van een tussen hen naderende of reeds tot stand gekomen scheiding regelen. De regeling kan betrekking hebben op de vermogensrechtelijke afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Art. 1:100 lid 1 BW bepaalt dienaangaande, dat echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap hebben, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij “een overeenkomst, die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden”. In voorkomende gevallen behoort een convenant een regeling te bieden voor de verrekenplichten tussen echtgenoten, die op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd. Soms bevat een echtscheidingsconvenant beide elementen, te weten wanneer partijen op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd en desalniettemin een aantal goederen (bijvoorbeeld woning, bankrekeningen en dergelijke) gemeenschappelijk hebben. Op een dergelijke eenvoudige gemeenschap van goederen heeft art. 1:100 weliswaar geen betrekking (zie hiervoor ook het art. mr. C.A. Kraan), maar toch dient de regeling, die partijen met elkaar hebben getroffen ten aanzien van die gemeenschap, in een convenant te worden vastgelegd.
Art. 1:158 BW geeft aan dat echtgenoten voor of na de beschikking tot echtscheiding bij overeenkomst kunnen bepalen of en zo ja, tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander gehouden is alimentatie te betalen. Een dergelijke alimentatie-overeenkomst wordt nader uitgewerkt in art. 1:159 BW. Een op basis van art. 1:158 gesloten alimentatieovereenkomst kan volgens de letter van de wet slechts betrekking hebben op alimentaties na echtscheiding. Volgens art. 1:158 BW kan ook afgezien worden van alimentatie na echtscheiding. Op basis van onderhavig artikel kunnen partijen niet met elkaar overeenkomen, dat wordt afgezien van uitkeringen tijdens het echtscheidingsgeding. Een dergelijke op art. 158 gebaseerde overeenkomst is nietig, nu art. 400 lid 2 BW zich daartegen verzet (zo HR in NJ 1975, 237). Toch wordt in een convenant vaak een regeling getroffen ten aanzien van het te betalen huishoudgeld. Een dergelijke niet op artikel 1:158 BW gebaseerde overeenkomst heeft kenmerken van een vaststellingsovereenkomst. Mevrouw mr. A. Heida zal in haar artikel “Partneralimentatie en echtscheidingsconvenant” uitvoerig ingaan op de in het convenant te treffen regeling met betrekking tot partneralimentaties.
De Wet verevening pensioenrechten verwijst in art. 4 en 5 naar een echtscheidingsconvenant. In die artikelen is aangegeven, dat echtgenoten “bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding” een afwijkende regeling kunnen treffen met betrekking tot het door hen te kiezen percentage of de door hen te kiezen periode. Ook conversie is mogelijk, indien aan een convenant een verklaring van het betrokken uitvoeringsorgaan is gehecht, dat het instemt met de conversie. Over het algemeen zal de regeling, die voor partijen als ex-echtgenoten geldt ten aanzien van pensioenverevening of -verdeling in een echtscheidingsconvenant worden opgenomen. Dat gebeurt ook als partijen geen van de wet afwijkende regeling treffen. Het echtscheidingsconvenant vervult aldus de functie van informatieverstrekking aan partijen. In dat convenant vinden zij immers alle gevolgen van de scheiding, ook die ten aanzien van de pensioenrechten, bij elkaar. Daarom is het ook zinvol in het echtscheidingsconvenant te constateren wat geldt ten aanzien van het nabestaandenpensioen. In art. 8a lid 3 van de Pensioen- en spaarfondsenwet is een verwijzing naar het echtscheidingsconvenant te vinden. Ook daar spreekt de wet over een “bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding”. In een echtscheidingsconvenant kan worden geregeld dat en in welke mate van de wettelijke regeling, in gevolge welke het tot de datum van echtscheiding opgebouwde nabestaandenpensioen toekomt aan de ander, wordt afgeweken. Ook ten aanzien van het nabestaandenpensioen geldt dat het convenant slechts geldig is, indien aan de overeenkomst een verklaring van het fonds is gehecht, dat het bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.
Wat en waarom een (echt)scheidingsconvenant?
Een convenant wordt opgesteld met het doel de gevolgen van de (toekomstige) scheiding van partners definitief en waterdicht te regelen. Dat kan alleen als de opsteller van een convenant bekend is met de wet en de jurisprudentie, die betrekking hebben op de te regelen onderwerpen. Er zijn vele valkuilen. Dat wordt wel duidelijk bij lezing van de in dit themanummer opgenomen artikelen. Verder zal een convenant duidelijk moeten zijn, niet alleen voor partijen, maar ook voor andere betrokkenen. Die duidelijkheid kan alleen ontstaan, als het convenant in ook voor niet-juristen begrijpelijke taal is geschreven. Verder moet een convenant slechts voor één uitleg vatbaar zijn: de uitleg die partijen hebben bedoeld te geven. In de considerans van de overeenkomst kunnen de achtergronden van de te maken afspraken worden toegelicht. Als niet duidelijk is, wat partijen hebben bedoeld ten tijde van het opstellen van het convenant, kan dat desastreuze gevolgen hebben. Mevrouw mr. A. Heida geeft daarvan een voorbeeld (HR 1 juli 1994, NJ 1994, 597). Het convenant zal die duidelijkheid moeten geven.

 

Advocaten:

»  mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg

 

« terug