» Personen- & Familierecht

Nevenvoorzieningen bij echtscheidingen
(17 oktober 2001)

Er bestaat onduidelijkheid over de vraag of de rechter in het kader van een echtscheidingsprocedure voorzieningen kan treffen, die niet met zoveel woorden in art. 827 Rv. zijn genoemd. De praktijk heeft behoefte aan nevenvoorzieningen, zoals de beslissing dat kinderen bij de ene of de andere ouder zullen wonen, dat partijen zullen overgaan tot verrekening conform een in de akte van huwelijksvoorwaarden opgenomen verrekenbeding of dat niet alleen alimentatie, maar ook de eventuele executiekosten door de niet betalende alimentatieplichtige zullen moeten worden gedragen. Kan de rechter dergelijke nevenvoorzieningen, die niet met zoveel woorden in art. 827 Rv. zijn genoemd, toewijzen?
Wettelijke nevenvoorzieningen
In art. 827 Rv. worden nevenvoorzieningen, die de rechter in geval van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of de daarop gevolgde ontbinding kan treffen, opgesomd. De rechter kan volgens de wet, kort gezegd de navolgende voorzieningen treffen:
a. toekenning van partneralimentatie,
b. voorzieningen m.b.t de verdeling van de gemeenschap,
c. voorzieningen betreffende het gezag over, de omgang met, de
informatie en raadpleging over en alimentatie voor
kinderen,
d. voortgezet gebruik van de echtelijke woning,
e. benoeming tot huurder van de echtelijke woning.
De onder d en e genoemde voorzieningen kunnen niet worden toegewezen als nevenvoorziening bij ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed.
Tot april 1995 bestond art. 827 Rv. uit vier leden. In het tot dan toe bestaande tweede lid stond vermeld, dat verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen slechts in eerste aanleg konden worden gedaan. Die verzoeken moesten tot die datum worden gedaan in het verzoekschrift of in het verweerschrift. Bij Wet van 7 juli 1994, Stb. 570 is dat tweede lid geschrapt. Desalniettemin wordt in de praktijk nog wel eens beweerd, dat nevenvoorzieningen niet eerst in hoger beroep zouden kunnen worden gevraagd. Verwezen wordt naar de overwegingen van het Hof, kenbaar uit HR 7 april 2000, NJ 2000, 377. Dat standpunt is dus niet juist.
In art. 827 lid 1 Rv. staan de nevenvoorzieningen, die kunnen worden verzocht, limitatief genoemd. Dat limitatieve karakter van de opsomming lijkt begrijpelijk. Aan het nieuwe scheidingsprocesrecht, dat op 1 januari 1993 in werking is getreden, lag immers de gedachte ten grondslag, dat geschillen tussen echtelieden zoveel mogelijk tezamen in één zitting behandeld zouden worden. Toch is het niet nodig (en zelfs onwenselijk) gebleken de nevenvoorzieningen limitatief in de wet op te sommen.
In 1996 heeft de Commissie De Ruiter (“Anders scheiden”, Rapport van de Commissie Herziening Scheidingsprocedure d.d. 2 oktober 1996) aangegeven, dat de scheidingsprocedure in één opzicht verbeterd kan worden, namelijk door wijziging van art. 827 Rv. in de zin, dat de daarin opgegeven opsomming niet langer limitatief is. De Commissie De Ruiter vermeldt dat het de bedoeling van de invoering van het nieuwe scheidingsprocesrecht is geweest, dat geschillen tussen de echtgenoten zoveel mogelijk tezamen in één zitting behandeld zouden worden. Deze bedoeling wordt volgens de commissie gefrustreerd door art. 827 Rv., waarin limitatief wordt vermeld welke nevenverzoeken kunnen worden ingesteld. Eenvoudige geschillen, die in het artikel niet genoemd worden, dienen hierdoor in een afzonderlijke procedure aanhangig te worden gemaakt. Zonder de limitatieve opsomming zou de rechter kunnen bepalen welke nevenverzoeken een voldoende directe samenhang hebben en eenvoudig genoeg van aard zijn om als nevenvoorziening gevraagd te worden. Anders is een afzonderlijke procedure nodig.
Wetsvoorstel 26862 (waarvan wordt gefluisterd dat inwerkingtreding mogelijk op 1 januari 2001 zou plaatshebben) voorziet in een toevoeging aan art. 827 Rv., zodanig dat de te vragen nevenvoorzieningen niet langer limitatief worden opgesomd. In navolging van het hierboven genoemde advies van de Commissie De Ruiter II wordt voorgesteld om aan art. 827 lid 1 een nieuw onderdeel f toe te voegen, dat als volgt luidt:
“een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a t/m e, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden”
Na invoering van onderdeel f komt in ieder geval een einde aan de limitatieve opsomming van de nevenvoorzieningen, die conform art. 827 Rv. kunnen worden gevraagd. Pas in de praktijk zal echter blijken in hoeverre art. 827 Rv. wordt opgerekt. De te vorderen nevenvoorziening zal immers “voldoende samenhang” met de hoofdvordering moeten vertonen en het mag niet te verwachten zijn, dat de behandeling daarvan “tot onnodige vertraging” van het geding zal leiden. Wat is voldoende samenhang? Wanneer is sprake van “onnodige vertraging” van het geding? Een eerste indicatie kan worden gegeven op basis van de jurisprudentie, die inmiddels is gewezen omtrent het limitatieve karakter van art. 827 Rv.
Oprekking in praktijk
Bij beschikking van 24 oktober 1997 (HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 395) heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat ook nevenvoorzieningen, die niet met zoveel woorden in art. 827 Rv. zijn genoemd, kunnen worden toegewezen. Het betrof een kwestie van partijen, die buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd. De rechtbank had bepaald “dat partijen zullen overgaan tot verevening van de pensioenen overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten”. Het hof had zich daarmee stilzwijgend verenigd. Hoewel deze beslissing niet door een cassatiemiddel werd bestreden, overwoog de Hoge Raad ambtshalve, dat de hierboven genoemde vaststelling van de rechtbank in het licht van het systeem van de wet moet worden verstaan als een “verklaring voor recht, dat overeenkomstig het bepaalde in art. 1:155 BW recht op pensioenverevening bestaat en dat beide partijen verplicht zijn daaraan mee te werken, onder meer door elkaar over en weer de daartoe nodige gegevens te (doen) verschaffen”. Hoewel art. 827 Rv. een dergelijke verklaring voor recht niet noemt, sluit zij aan bij de daar wel genoemde gevallen. “Het past dan ook in het systeem van de wet”, aldus de Hoge Raad, “om aan te nemen dat een zodanige verklaring voor recht - die gepaard kan gaan met een bevel dienovereenkomstig te handelen - in het echtscheidingsgeding verzocht en uitgesproken kan worden en zulks is ook in het belang van een efficiënte rechtsbescherming”. Ook de aard van de verzoekschriftprocedure verzet zich volgens de Hoge Raad er niet tegen om aan te nemen, dat daarin een verklaring voor recht als de onderhavige kan worden uitgesproken. De Hoge Raad heeft in deze beschikking dan ook het limitatieve karakter aan de opsomming van art. 827 lid 1 Rv. ontnomen.
Mr. S. van Gestel heeft deze beschikking besproken in Advocatenblad 14 van 24 juli 1998. Mr. J.W.D. van Oldenborgh juichte in EchtscheidingBulletin van maart 1998 (pag. 8 t/m 10), dat de beperkingen van 827 Rv. zijn vervallen. Aan Van Oldenborgh moet worden toegegeven, dat de Hoge Raad in deze beschikking niet de door de Commissie De Ruiter genoemde eis van voldoende directe samenhang met de echtscheiding heeft gesteld. Evenmin heeft de Hoge Raad in deze beschikking gezegd, dat het nevenverzoek “eenvoudig genoeg van aard moet zijn” om als nevenvoorziening gevraagd te kunnen worden. Nu evenwel in het wetsvoorstel nr. 26862 de eis wordt gesteld, dat de behandeling van het echtscheidingsgeding niet tot onnodige vertraging zal mogen leiden, vrees ik dat de beoordeling van nevenverzoeken, zoals de Hoge Raad die op 24 oktober 1997 heeft geaccepteerd, in de praktijk zal worden ingedamd.

 

Advocaten:

»  mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg

 

« terug