
Boedelscheiding opnemen in beschikking
(17 december 2001)
Sommige rechtbanken leggen de tussen echtelieden getroffen onderlinge
regelingen, waaronder de regeling omtrent de boedelscheiding, vast in een
echtscheidingsbeschikking. Andere rechtbanken zijn daartoe niet bereid. Het is
de vraag of de wet de mogelijkheid biedt een in een convenant overeengekomen
verdeling in een echtscheidingsbeschikking op te nemen en of het enige zin heeft
dat te doen. Rechtbanken denken daarover verschillend. Justitiabelen hebben
belang bij duidelijkheid. Zij zijn erbij gebaat zo mogelijk een executoriale
titel te verkrijgen.
1. GEMEENSCHAPPELIJK VERZOEKSCHRIFT
Als een
gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding wordt ingediend, bepaalt
artikel 819 Rv dat de rechter de getroffen onderlinge regelingen (daaronder
begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de kosten
van verzorging van een minderjarige) geheel of gedeeltelijk in de beschikking
kan opnemen. Dat artikel is bij wet van 1 juli 1992 (Stb. 1992, 373) in de
plaats getreden van het toen vervallen artikel 155 van Boek 1 BW. Laatstgenoemd
artikel schreef voor, dat op gemeenschappelijk verzoek een echtscheiding pas kon
worden uitgesproken als de echtelieden hadden medegedeeld of, en zo ja hoe ze
hun onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen hadden geregeld. De rechter kon
echtgenoten zo nodig wijzen op het belang van een weloverwogen en nauwkeurig
geformuleerde regeling, ondermeer ten aanzien van de boedelscheiding. Evenals in
artikel 819 Rv is bepaald, was de rechter bevoegd, niet verplicht, de getroffen
financiƫle regeling op verzoek van partijen in de beschikking op te nemen. De
parlementaire geschiedenis van artikel 819 Rv. leert, dat met artikel 819 Rv.
niet bedoeld is een gewijzigde regeling ten aanzien van artikel 155 boek 1 BW in
de wet op te nemen.
Het bepaalde met betrekking tot de in artikel 827 Rv
limitatief opgesomde nevenvoorzieningen geldt ook voor een gemeenschappelijk
verzoekschrift. Dat artikel biedt de rechter de mogelijkheid een
nevenvoorziening in de beschikking op te nemen met betrekking tot de verdeling
van de gemeenschap. Een verklaring voor recht, dat de huwelijksgemeenschap op
een bepaalde wijze behoort te worden verdeeld c.q. een verklaring voor recht,
dat tussen partijen verrekeningen behoren plaats te hebben conform akte
huwelijksvoorwaarden en dat zij tot die verrekening dienen over te gaan, kan
waarschijnlijk op basis van artikel 827 Rv. worden verzocht. Dergelijke
verklaringen voor recht sluiten immers aan bij de in artikel 827 Rv genoemde
gevallen, met name bij de mogelijkheid de rechter te verzoeken de voorzieningen
met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap te treffen. Verwezen wordt
naar het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, RvdW 1997, 203.
Als
partijen bij gemeenschappelijk verzoekschrift aan de rechter melden dat zij niet
tot overeenstemming kunnen komen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap,
kunnen zij op grond van artikel 827 lid 1 sub b Rv jo artikel 3:185 BW aan de
rechter verzoeken de wijze van verdeling te gelasten of zelf de verdeling vast
te stellen. De rechter dient dat dan te doen (zo blijkt uit artikel 1:185 BW) en
hij dient daarbij naar billijkheid rekening te houden zowel met de belangen van
partijen als met het algemeen belang. Als sprake is van een gemeenschappelijk
verzoek tot echtscheiding kan de rechter dus voorzieningen treffen met
betrekking tot de verdeling van de gemeenschap. Mochten partijen daarover geen
overeenstemming kunnen bereiken, dan gebiedt de wet (artikel 3:185 BW) de
rechter de wijze van verdeling te gelasten of zelf de verdeling vast te stellen.
Hij is daarenboven op grond van artikel 819 Rv bevoegd de getroffen onderlinge
regelingen met betrekking tot de boedel in de beschikking op te nemen.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









