» Personen- & Familierecht

Flitsscheiding: storm in een glas water
(30 december 2001)

Op 1 april 2001 is de Wet Openstelling Huwelijk (wet van 21 december 2000 stb. 2001, 9) in werking getreden. Gevolg daarvan is dat personen van hetzelfde geslacht met elkaar in het huwelijk kunnen treden. Artikel 1:30 lid 1 BW werd gewijzigd, zodat ook twee personen van gelijk geslacht een huwelijk kunnen aangaan. Daarmee neemt Nederland in de wereld een unieke positie in. Gevolg van de Wet Openstelling Huwelijk is ook geweest dat gehuwden via een omweg zonder tussenkomst van een rechter en op korte termijn kunnen scheiden. Mr. Angela Sluijs schreef daarover een artikel in het Advocatenblad, dat is verschenen op 27 juli 2001. Toen de media in de eerste helft van augustus van dat artikel kennis namen en op 16 augustus 2001 daarover publiceerden, liep het storm. Inmiddels is die overgeraasd.
Wettelijke regeling
De Wet Openstelling Huwelijk voorziet enerzijds in een wijziging van die artikelen van Boek 1 BW, die een huwelijk slechts mogelijk maakten voor twee personen van verschillend geslacht. De mogelijkheid een partnerschap te doen registreren, ook door personen van verschillend geslacht, is in het burgerlijk wetboek opgenomen met ingang van 1 januari 1998. Met ingang van 1 april 2001 is artikel 1:77a aan het Burgerlijk Wetboek toegevoegd, dat de omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap regelt en artikel 1:80f, dat de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk regelt. Daardoor werd het indirect mogelijk een huwelijk buiten de rechter om te beëindigen.
Blijkens artikel 1:77a BW is voor de omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap slechts vereist dat de echtelieden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken een akte van omzetting op te maken. Op het moment dat die akte wordt opgemaakt, eindigt het huwelijk en start het geregistreerd partnerschap. Artikel 1:77a lid 3 BW bepaalt, dat de omzetting geen wijziging brengt in de al dan niet bestaande familierechtelijke betrekkingen met kinderen, die voor de omzetting zijn geboren. Verder hoeft er niets te worden geregeld, want voor het overige zijn de rechtsgevolgen van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap gelijk.
Artikel 1:80c BW kent reeds sedert 1 januari 1998 twee manieren om het geregistreerd partnerschap te laten eindigen. Dat kan (zoals bij een huwelijk) gebeuren ten overstaan van de rechter (artikel 1:80e lid 1 verklaart op de ontbinding van een geregistreerd partnerschap van toepassing de artikelen van titel 9 afdeling 2 omtrent echtscheiding, behoudens de artikelen die zien op echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek) of met wederzijds goedvinden. Een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding kan alleen via de rechter lopen. Wetsvoorstel nr. 19 242, dat een gemeenschappelijk verzoek via een formulier en zonder verplichte procesvertegenwoordiging mogelijk maakte, werd op 20 maart 1990 door de Eerste Kamer verworpen. Daarna strandden nog twee andere pogingen om de verplichte procesvertegenwoordiging af te schaffen.
Beëindiging van een geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden geschiedt door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een verklaring, waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap een overeenkomst hebben gesloten. Die verklaring moet door beide partners en door één of meer advocaten of notarissen worden ondertekend.
In de verklaring behoeft derhalve slechts te staan dat en op welk tijdstip partijen de betreffende overeenkomst hebben gesloten. De overeenkomst hoeft niet aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te worden overgelegd. Wel is in de wet (artikel 1:80d lid 1 BW) opgenomen wat er in ieder geval in de overeenkomst moet staan: de verklaring van beide partners dat hun geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij het willen beëindigen. Verder kan de overeenkomst (evenwel niet op straffe van nietigheid!) betreffen, de alimentatie, het huurrecht van de partnerschapswoning of het gebruik van de eigen woning en de inboedel, de verdeling van de partnerschapsgemeenschap of verrekening van partnerschapsvoorwaarden en de verevening of verrekening van pensioenrechten. Binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst moet de verklaring worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

 

Advocaten:

»  mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg

 

« terug