» Personen- & Familierecht

De doolhof van de nevenvoorzieningen
(17 april 2002)

Op 1 maart 2001 is artikel 827 Rv, waarin de nevenvoorzieningen behorende bij een echtscheidingsverzoek zijn opgesomd, uitgebreid met een bepaling onder f. Daardoor is een einde gemaakt aan het limitatieve karakter van artikel 827 Rv. Desalniettemin bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de vraag of bepaalde (voor de rechtspraktijk belangrijke!) nevenvoorzieningen door de rechter zullen worden toegewezen. Met name wanneer aan de rechter wordt gevraagd bij wijze van nevenvoorziening verrekening op grond van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden toe te wijzen, is de uitspraak afhankelijk van de vraag, voor welke rechtbank of hof men procedeert. Wordt een nevenvoorziening met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap gevraagd, dan mogen partijen daarover in de loop van het geding geen overeenstemming bereiken, want dan zou een rechter de verzoeker onder verwijzing naar artikel 3:185 BW wel eens niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtspraktijk heeft behoefte aan duidelijke en uniforme lijnen ten aanzien van de toewijzing van nevenvoorzieningen.
De wet
Aan het scheidingsprocesrecht, zoals dat op 1 januari 1993 in werking is getreden, lag de gedachte ten grondslag, dat geschillen tussen echtelieden zoveel mogelijk tezamen en in één zitting behandeld zouden worden. Daarom was aanvankelijk gekozen voor een limitatieve opsomming van de wettelijke nevenvoorzieningen (in artikel 827 lid 1 onder a tot en met e (oud) Rv). In het licht van die bedoeling van de wetgever stond tot 1 april 1995 in artikel 827 lid 2 Rv, dat nevenvoorzieningen slechts in het verzoekschrift tot echtscheiding konden worden gevraagd. Sedert 1 april 1995 kan dus ook bij aanvullend verzoek in de loop van de echtscheidingsprocedure en zelfs in hoger beroep voor het eerst worden gevraagd een bepaalde nevenvoorziening te treffen. Verwezen wordt naar de beschikking van de Hoge Raad van 7 april 2000 (NJ 2000, 377) en van 23 februari 2001 (NJ 2001, 237).
Op 2 maart 2001 is aan artikel 827 lid 1 onder f toegevoegd, dat de rechter “een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e kan treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en niet te verwachten is, dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden”. Voordien had de Hoge Raad reeds het limitatieve karakter van de nevenvoorzieningen doorbroken (HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 395). In mijn artikel “Nevenvoorzieningen bij echtscheiding” (EB oktober 2000, pagina 4 tot en met 7) en in het Naschrift (EB mei 2001 pag. 73) besteedde ik aandacht aan die beschikking van de Hoge Raad en aan de uitbreiding van artikel 827 lid 1 Rv (toen nog wetsvoorstel 26 862).

 

Advocaten:

»  mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg

 

« terug